De vrouw in kwestie wordt om die reden op staande voet ontslagen. Haar baas stelt daarbij dat de vrouw de voornoemde knowhow heeft meegenomen met de intentie om deze aan te wenden voor een eigen bedrijf.
De werkneemster vecht daarop het ontslag op staande voet aan. Ze heeft onweersproken gesteld dat zij geen eigen onderneming op psychologisch en/of trainingsgebied heeft opgericht. Daarbij heeft zij aangegeven dat zij de knowhow thuis had om zich in privétijd goed op de tests voor te bereiden. Het materiaal was dus uitsluitend bestemd om te bestuderen en dan weer mee te nemen naar werkgever.
De kantonrechter is van mening dat werkgever geen dringende reden had voor het ontslag op staande voet van de werkneemster. De vrouw heeft aannemelijk kunnen maken dat zij geen informatie aan derden of collega's heeft bekendgemaakt, noch dat er sprake is van het oprichten van een eigen onderneming. De kantonrechter is daarnaast van mening dat de vrouw een redelijke verklaring heeft voor het houden van de gehele knowhow van werkgever in haar huis. De vorderingen van werkneemster worden dan ook toegewezen.
De rechtbank vernietigt het vonnis van de kantonrechter. De rechtbank oordeelt namelijk dat werkneemster juist geen redelijke verklaring had voor het feit dat zij de gehele knowhow van werkgever in huis had. De vrouw betwist niet dat zij de stukken in huis had, noch dat dit zo ongeveer de gehele knowhow vormde. Zij heeft slechts aangevoerd dat het om stukken ging, waarvan werkgever oneigenlijk gebruik maakte, maar dat is inherent aan het bedrijf van werkgever.
Het voornoemde gaf werkneemster dan ook niet het recht om de stukken mee naar huis te nemen. De rechtbank meent dat ook al zouden strikt genomen geen voorwaarden uit de arbeidsovereenkomst zijn geschonden, dan nog is het vertrouwen van werkgever zodanig geschonden dat het voortduren van de arbeidsovereenkomst met werkneemster niet gevergd kan worden van werkgever.
De Hoge Raad verwerpt het beroep van de vrouw met de volgende overweging. De Raad klaagt erover dat de rechtbank is voorbijgegaan aan de 'harde vuistregels' zoals genoemd in eerdere rechtspraak. Deze regels houden in dat als slechts een gedeelte komt vast te staan van een door de werkgever als dringende reden voor ontslag aan de werknemer meegedeeld feitencomplex, het ontslag niettemin kan worden gezien als te zijn verleend om een dringende, onverwijld medegedeelde reden.
Het vastgestelde gedeelte moet dan op zich zelf beschouwd kunnen worden als een dringende reden voor ontslag op staande voet, ten tweede heeft de werkgever gesteld en aannemelijk gemaakt dat hij de werknemer ook op staande voet zou hebben ontslagen indien hij daarvoor niet meer grond zou hebben gehad dan in rechte is komen vast te staan, en dit is voor de werknemer duidelijk geweest.
De rechtbank heeft namelijk overwogen dat de handelwijze van de vrouw een dringende reden voor ontslag oplevert omdat het vertrouwen van werkgever zodanig is geschonden dat van de werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst voort te laten duren. De rechtbank heeft daarbij kennelijk voldoende aannemelijk geacht, en meegewogen in haar oordeel, dat de vrouw een eigen bedrijf heeft willen beginnen. Het is dan ook van ondergeschikt belang of werkneemster tevens de bepalingen uit de arbeidsovereenkomst heeft overtreden.
Opgetekend door Yteke de Jong. Reageren: carriere@fd.nl
Reacties
Om te kunnen reageren op artikelen dient u ingelogd te zijn.
Nog geen abonnee? Registreer gratis of bekijk onze abonnementen.