Liever dan een debat te voeren over aard en effectiviteit van EU-ontwikkelingshulp probeert de Europese Commissie ten koste van alles haar uitgaven aan ontwikkelingshulp te verdedigen en weigert zij de logica van haar eigen statistieken te accepteren.
Zwakheden
Trots is de Commissie op het feit dat Commissie en lidstaten samen meer dan elk ander donorland uitgeven aan officiële ontwikkelingshulp (ODA). Maar de Commissie vertelt niet het hele verhaal. Na onderzoek van het jaarlijkse ontwikkelingshulpbudget van € 12 mrd constateren wij een aantal zwakheden. De belangrijkste is dat de hulp zich niet primair richt op armoedebestrijding. Slechts 46% van de EU-hulp in 2009 ging naar lage-inkomenslanden. In Nederland en het Verenigd Koninkrijk lagen die percentages respectievelijk op 71 en 74. Turkije, een rijk land in de middenmoot, ontving de meeste EU-hulp; € 571 mln in 2009. Politieke stabiliteit aan Europa's grenzen wint het blijkbaar van het verminderen van de mondiale armoede.
In haar jaarverslag merkt de Commissie op dat '96% van de middelen die de EU in 2009 aan buitenlandse hulp besteedde, tot ODA-hulp gerekend kan worden, wat aangeeft dat de nadruk steeds meer ligt op het thema ontwikkeling'. Tegelijkertijd houdt de Commissie journalisten voor dat geld dat wordt gegeven aan Europa's buren van een andere orde is dan 'ontwikkelingshulp' aan landen ten zuiden van de Sahara, en een vergelijking met nationale hulpprogramma's daarom mank gaat.
Arbeidsverdeling
Geld voor Europa's buren is inderdaad geen ontwikkelingshulp. Maar daarom verrast het ons dat de Commissie het wel als zodanig oormerkt. Het is van tweeën één: óf Brussel is het met ons eens en besteedt EU-ontwikkelingshulp aan de armere landen, óf het snapt de eigen cijfers niet.
Het is legitiem te discussiëren over de vraag of de Commissie wel geld moet steken in landen die lidstaten sowieso al helpen, wat Brussel wel 'arbeidsverdeling' noemt. Maar de Britse minister van ontwikkelingssamenwerking Andrew Mitchell roept de EU uitdrukkelijk op de hulpmiddelen te 'richten op de armste mensen'. En zijn Nederlandse collega Ben Knapen van Europese Zaken heeft opgemerkt dat 'het in ons belang is onze buren te helpen. Maar die hulp moet wel tegen het licht gehouden worden, met name voor zover het gaat om de aanzienlijke steun die een kandidaat-lidstaat als Turkije ontvangt.'
Transactiekosten
Als lidstaten, zoals de Commissie zegt, toch al dezelfde hoeveelheid middelen zouden besteden aan hun buren, waarom zou Brussel dan niet de teugels vieren en de nationale bijdragen aan het EU-budget voor ontwikkelingshulp een vrijwillig karakter geven? Dan merken we snel wie gelijk heeft.
Ontwikkelingshulp op EU-niveau kampt met onnodige transactiekosten. Rond de € 1,4 mrd, 10%, van de middelen wordt nodeloos rondgepompt via multilaterale donoren als VN en Wereldbank. Nationale regeringen kunnen hulpmiddelen perfect zelf direct overmaken naar die organisaties, zonder Brusselse tussenkomst.
Afkerig
Waarom is de Commissie zo afkerig van vrijwilligheid? Je zou vermoeden dat ze bang is dat er minder geld naar Brussel vloeit. Mensen kunnen zich afvragen of ook andere onderdelen van het EU-budget niet beter nationaal gevoed kunnen worden; bijvoorbeeld het gemeenschappelijke landbouwbeleid of de regionale steun binnen de Unie.
Het is triest dat de Commissie ongemakkelijke vragen laat hangen waar het gaat om de hulp aan de allerarmsten in de wereld.
Stephen Booth is directeur onderzoek van Open Europe, een in Londen en Brussel gevestigde denktank.
Reacties
Om te kunnen reageren op artikelen dient u ingelogd te zijn.
Nog geen abonnee? Registreer gratis of bekijk onze abonnementen.