Het eerste fatale moment is twee jaar voor de invoering van de girale euro, als op 13 en 14 december 1996 in Dublin een eurotop plaatsvindt. De regeringsleiders van de Europese Unie bereiken tijdens die top een politiek akkoord over het stabiliteitspact, de begrotingsregels die moeten voorkomen dat eurolanden hun tekort en schuld uit de hand laten lopen.
Een dag voor deze bijeenkomst ontmoeten de ministers van financiën elkaar om de laatste meningsverschillen glad te strijken. Nederland en Duitsland willen dat de waarschuwingen en straffen van het stabiliteitspact zonder politieke inmenging worden uitgedeeld. Maar Frankrijk ziet daar niets in en wil dat de politiek het laatste woord houdt. Onder grote tijdsdruk wordt aan een compromis gewerkt.
Boterzachte regels
Toenmalig minister van Financiën Gerrit Zalm schrijft later in zijn autobiografie: 'Het conflict over het automatisme van de procedure versus de politieke afweging, wordt opgelost door het automatisme als basis vast te leggen, maar in plaats van een absolute formulering her en der de woorden "as a rule" in te voegen.'
Nederland en Duitsland denken dat ze de slag gewonnen hebben. Maar de Fransen weten dat de regels nu boterzacht zijn. Een jaar later wordt het troebele compromis vastgelegd in het Verdrag van Amsterdam. In Artikel 104 staan alle stappen die de Europese Commissie en de regeringsleiders van de lidstaten moeten zetten om een overtredend land een boete op te leggen.
Muilkorf
Of beter: de stappen die ze kúnnen zetten. Want telkens als het erop aankomt, biedt het artikel een uitvlucht om toch maar niets te doen. 'De Raad kan een boete opleggen', staat er in het Verdrag. De politici zijn dat dus niet verplicht. Het pact heeft scherpe tanden, maar het heeft ook een muilkorf om. Precies zoals de Fransen wilden.
In 1998 wordt er weer een fatale fout gemaakt. Het Europees Monetair Instituut, voorloper van de Europese Centrale Bank, wijst in een rapport op de veel te hoge staatsschuld van Italië en op het feit dat het land het begrotingstekort alleen met eenmalige maatregelen tot net onder de vereiste 3% heeft weten te brengen. Desondanks besluiten de Europese regeringsleiders op 2 mei 1998 dat Italië de euro mag invoeren. Vooral de Fransen zijn voor deelname van dit land, als tegenwicht tegen de Duitse dominantie binnen de muntunie. Gerrit Zalm gaat tandenknarsend akkoord. De exclusieve monetaire unie met onderhandelbare begrotingseisen is verwaterd tot een club voor iedereen. Twee jaar later kan Griekenland dan ook zonder veel moeite toetreden.
Stabiliteitspact opgeblazen
Fout nummer drie maakt Europa vier jaar na de invoering van de euro. Het is 24 november 2003 als de Europese ministers van financiën moeten besluiten over een berisping voor Duitsland en Frankrijk. Beide landen hebben al jaren een te hoog begrotingstekort, en de Europese Commissie stelt voor ze een 'aanwijzing' te geven. Dat is de laatste waarschuwing voordat echte boetes in zicht komen. De Duitsers en Fransen doen er alles aan om deze blamage te voorkomen. Na negen uur vergaderen krijgen de Duitse minister Hans Eichel en zijn Franse collega Francis Mer voldoende ministers op hun hand om het commissievoorstel weg te stemmen. Het stabiliteitspact is daarmee de facto opgeblazen. De Duitsers maken gebruik van de maas in de wet die de Fransen er in december 1996 creëerden. Begrotingsbeleid is weer een puur nationale zaak geworden.
Dat kan natuurlijk niet binnen een muntunie, maar daar zal Europa pas zeven jaar later achter komen.
Mathijs Bouman is macro-econoom.
Reacties
Om te kunnen reageren op artikelen dient u ingelogd te zijn.
Nog geen abonnee? Registreer gratis of bekijk onze abonnementen.