Deze discussienota bevat de uitkomsten van dit voorbereidende overleg dat in de Stichting van de Arbeid is gevoerd.
& nbsp;
Discussienota Modernisering Regelingen Levensloop en Spaarloon
& nbsp;
Discussienota Modernisering Regelingen Levensloop en Spaarloon
& nbsp;
Deze discussienota bevat de uitkomsten van dit voorbereidende overleg dat in de Stichting van de Arbeid is gevoerd.
In deze nota wordt in paragraaf 2 ingegaan op de kenmerken van de huidige
regelingen voor levensloop en spaarloon en op het gebruik dat van deze
regelingen wordt gemaakt.
Paragraaf 3 is gewijd aan de uitspraken die de SER in zijn MLT-advies van
20 oktober 2006 heeft gedaan over de levensloopfaciliteit en aan de
afspraken die ten aanzien van levensloop en spaarloon zijn gemaakt in het
kader van het Coalitieakkoord van februari 2007.
In paragraaf 4 wordt ingegaan op de redenen waarom de levensloopregeling
onvoldoende succes heeft en waarom aanpassing van zowel de levensloop- als
de spaarloonregeling naar het oordeel van sociale partners nodig is.
Paragraaf 5 is ten slotte gewijd aan de concrete voorstellen tot aanpassing
/ modernisering van beide regelingen.
2.& nbsp;De huidige levensloopregeling en spaarloonregeling
De op 1 januari 2006 in werking getreden wettelijke levensloopregeling
biedt individuele werknemers de mogelijkheid om fiscaal vriendelijk te
sparen voor inkomen tijdens (onbetaald) verlof. Dit kan zijn zorgverlof,
educatief verlof, ouderschapsverlof, een sabatsverlof of verlof voorafgaand
aan pensioen.
Niettemin blijkt op basis van door het CBS over 2006 verzamelde gegevens,
de levensloopregeling onderwerknemers niet erg populair te zijn. Slechts
betrekkelijk weinig werknemers blijken in 2006 van de regeling gebruik te
maken en diegenen die wel voor levensloopverlof sparen, zijn vooral
hoogopgeleiden, veelal werkzaam zijn in beter betaalde banen. Volgens het
CBS deden in 2006 circa 344 duizend werknemers mee met levensloopregeling.
Dat is ongeveer 5,5% van de werknemers in de werkzame beroepsbevolking.
Onder hoogopgeleiden is de deelname 8% tegen iets minder dan 4% onder
laagopgeleiden.
Volgens meting van hetzelfde CBS zijn echter in 2006 maar circa 220 duizend
levenslooprekeningen en levensloopverzekeringen afgesloten.& nbsp;
Het totale spaarbedrag in 2006 bedroeg volgens het CBS 944 miljoen euro.
Dat betekent dat gemiddeld per levenslooprekening in 2006 4300 euro is
ingelegd. Uit de hoogte van dit gemiddelde spaarbedrag per rekening komt
overigens naar voren dat vooral beter betaalde werknemers aan de
levensloopregeling deelnemen.
Over de bestedingsdoelen van aan de levensloopregeling deelnemende werknemers blijkt uit het CBS-onderzoek over 2006 het volgende. 50% van de deelnemers zegt te sparen om eerder te kunnen stoppen met werken. 29% van de deelnemers geeft aan nog niet te weten voor welke besteding men spaart, 6% zegt te sparen voor toekomstig ouderschapsverlof en 5% spaart voor sabatsverlof.
Uit de cao-databank van de FNV komt naar voren dat er 390 cao& rsquo;s zijn
waarin afspraken zijn opgenomen over de (toepassing van) de
levensloopregeling. Deze 390 cao& rsquo;s hebben betrekking op 3,7 miljoen
werknemers (bijna 66% van alle werknemers waarop een cao van toepassing
is).
Een beperkt onderzoek in 2006 gehouden onder 200 grote en middelgrote
ondernemingen met in totaal 360.000 werknemers& nbsp; laat zien dat 90% van
deze ondernemingen een collectief arrangement kent voor de levensloop
veelal in de vorm van een & lsquo;prefered provider& rsquo; in combinatie met
een werkgeversbijdrage. Deze bijdrage moet overigens op grond van de
huidige regelgeving ook worden uitgekeerd aan de werknemers die niet
deelnemen in de vorm van belast loon.
De oudere spaarloonregeling, welke dateert uit 1994, is als daarbij wordt
gekeken naar het aantal deelnemers met een spaarloonrekening, populairder
dan de levensloopregeling.
In 2006 bedroeg het totale tegoed op spaarloonrekeningen volgens het CBS
2,7 miljard euro. Daarvan is 1,1 miljard euro in 2006 ingelegd. Dat is
overigens wel 20% minder dan in 2005. Het bedrag van de inleg op
spaarloonrekeningen in 2006 ligt maar betrekkelijk weinig hoger dan het
bedrag dat in dat jaar voor levensloopsparen is ingelegd (944 miljoen
euro). Gelet op het maximum spaarbedrag van 613 euro per jaar en de inleg
in 2006 van 1,1 miljard euro, is er in 2006 op ca. 1,8 miljoen
spaarloonrekeningen geld ingelegd. Dat betekent ook dat in 2006 bijna 29%
van alle werknemers in de actieve beroepsbevolking op een spaarloonrekening
daadwerkelijk heeft ingelegd. Dit percentage ligt beduidend lager dan het
percentage dat volgens het CBS meedoet aan de spaarloonregeling (43%). De
verklaring is wellicht dat in 2006 een deel van de werknemers met een
spaarloonrekening geen geld daarop heeft ingelegd. Voor een groot deel gaat
het hierbij om werknemers die zijn gaan deelnemen aan de
levensloopregeling. Volgens het CBS geeft tweederde van de deelnemers aan
de levensloopregeling aan eerder te hebben deelgenomen aan de
spaarloonregeling.
& nbsp;
Budgettair beslag
Over het budgettair beslag van de levensloopregeling zijn geen exacte
gegevens bekend. Dat komt omdat de kosten (de komende jaren) hoofdzakelijk
bestaan uit de derving van belastingopbrengsten over de inleg als gevolg
van de omkeerregel. Deze belastingderving wordt niet gemeten. Op basis van
een raming van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bedroeg
het budgettaire beslag van de levensloopregeling in 2006 & euro; 418
miljoen, waarvan naar schatting & euro; 33 miljoen ouderschapsverlofkorting
en circa & euro; 385 miljoen belastingderving over de inleg in levensloop.
Dit betreft het effect van de omkeerregel en dat van de vrijstelling van de
belastingheffing voor box 3.
In tabel 5.3.1 van de Miljoenennota 2008 wordt de realisatie van de
belastinguitgave ter zake van de levensloopverlofkorting vermeldt over 2006
(& euro; 2 miljoen) en de raming voor de jaren 2007 t/m 2012. Deze geraamde
belastinguitgave loopt op van & euro; 6 miljoen in 2007 tot & euro; 59
miljoen in 2012.
Meerjarige reeksen voor het geraamde budgettair beslag en de geraamde
deelname zijn te vinden in de SZW-begroting 2008 (tabel 43.3, blz. 40 en
tabel 43.7, blz. 45).& nbsp; Navraag bij het Ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid heeft uitgewezen dat in overleg met het Ministerie van
Financi& euml;n (de levensloopregeling is immers in feite een
belastingmaatregel) bij deze meerjarige ramingen rekening is gehouden met
de onzekerheid over de ontwikkeling van de deelname aan de
levensloopregeling. Er is uitgegaan van structureel maximaal 1 miljoen
deelnemers aan de levensloopregeling en 2 miljoen deelnemers aan de
spaarloonregeling. De cijfers kunnen dan ook beter worden gezien als het
budgettaire kader waarbinnen de overheid denkt dat de levensloopregeling
zich de komende jaren zal ontwikkelen.
De belastinguitgaven i.v.m. de spaarloonregeling bedroegen in 2006 circa
& euro; 200 miljoen. Het gaat hier om het saldo van de eindheffing voor
werkgevers (25% over het ingelegde bedrag, circa & euro; 300 miljoen) en het
belastingvoordeel van werknemers (geschat op basis van een gemiddeld
lb-tarief, gaat het om circa & euro; 500 miljoen).
Daarnaast is er ook sprake van derving van premies voor
werknemersverzekeringen, omdat de inleg in de spaarloonregeling niet
premieplichtig is. Volgens de Miljoenennota 2008 gaat het daarbij over 2007
om een bedrag van & euro; 211 miljoen.& nbsp;Overigens staan tegenover de
lagere premieontvangsten ook lagere uitkeringslasten: de spaarlooninleg
telt immers niet mee in de grondslag voor de bepaling van de
uitkeringshoogte.
Er zijn geen recente gegevens beschikbaar over het aantal bedrijven dat de
spaarloonregeling aan de in dienst zijnde werknemers aanbiedt. De gegevens
die hierover beschikbaar zijn dateren uit 1997 en zijn gebaseerd op
cao-gegevens verzameld door het Ministerie van SZW.
In 1997 bood 38% van alle ondernemingen de spaarloonregeling aan. Het
percentage stijgt sterk naarmate de omvang van de bedrijven toeneemt is: 10
t/m 99 werknemers: 71% en 100 en meer werknemers: 97%.& nbsp;& nbsp;
Meer recente gegevens zijn volgens SZW niet beschikbaar. De SZW-dienst
Uitvoeringstaken Arbeidsvoorwaardenwetgeving onderzoekt dit gegeven niet
meer. Men heeft op SZW echter wel de indruk dat het aantal bedrijven dat de
spaarloonregeling aanbiedt de laatste 10 jaar niet fors is gestegen; het
aantal is eerder wat afgenomen, omdat enerzijds de kosten gestegen zijn (de
eindheffing is van 15% naar 25% gegaan), en anderzijds omdat sommige
bedrijven de spaarloonregeling hebben ingeruild voor de
levensloopregeling.& nbsp;& nbsp;
3.& nbsp;Uitspraken van de SER over de toekomst van de
levensloopregeling en afspraken uit het Coalitieakkoord 2007 over deze
regeling
3.1& nbsp;SER-advies Welvaartsgroei door en voor iedereen over de levensloopregeling& nbsp;& nbsp;
De SER vindt dat ondanks haar huidige beperkte karakter de levensloopregeling een plaats heeft in een toekomstbestendig stelsel van werk, scholing en inkomen. De SER gaat daarbij uitdrukkelijk uit van een individuele spaarregeling of spaarverzekering die eventueel mede uit een werkgeversbijdrage wordt gefinancierd. De individuele levensloopfaciliteit mag geenszins in de plaats komen van, noch worden verknoopt met de huidige wettelijke werknemersverzekeringen (inkomensvervangende regelingen op risicobasis).
De SER acht het van belang dat het mogelijk is de levensloopfaciliteit als onderdeel van de participatiepijler te benutten voor verlof ten behoeve van zorg (met het oog op de combineerbaarheid van arbeid en zorg), scholing en transities op de arbeidsmarkt; dit past in het streven naar een verruiming van het arbeidsaanbod. De tegoeden van de levensloopregeling kunnen in de praktijk daadwerkelijk worden gebruikt voor onbetaald educatief verlof. Daarmee is het mogelijk het levenslooptegoed in te zetten voor het (gedeeltelijk) opvangen van gederfde inkomsten tijdens het volgen van scholing. Ook is het nu reeds mogelijk het levenslooptegoed te gebruiken in een periode van onderbreking van de loopbaan voor de verzorging van kinderen. Tevens biedt het levenslooptegoed de mogelijkheid betaalde arbeid te verminderen om het werk geleidelijk af te bouwen in de richting van pensioen (deeltijdpensioen); dit kan per saldo leiden tot een verlenging van de arbeidsdeelname van ouder wordende werknemers. Ten slotte kan de levensloopregeling samengaan met arbeidsvoorwaardelijke afspraken zoals over donaties die werkgevers storten in de regeling.
De SER is van oordeel dat de per 1 januari 2006 ingevoerde levensloopregeling de gelegenheid moet krijgen om tot ontwikkeling te komen en effect te sorteren. Hij stelt voor dat in 2008 een evaluatie van het gebruik en de effecten van de regeling plaatsvindt en wil te zijner tijd adviseren over de beleidsconclusies van het kabinet in verband met deze evaluatie. Daarop vooruitlopend noemt de raad hieronder enkele aspecten van de huidige regeling en enkele opties tot wijziging van de regeling die in of naar aanleiding van de evaluatie aan de orde moeten dan wel kunnen komen.
Te evalueren aspecten zijn de toegankelijkheid en de financi& euml;le
aantrekkelijkheid van de levensloopregeling voor in het bijzonder mensen
met een relatief laag inkomen. Ook de zeggenschap van de werknemer in
verband met het opnemen van verlof verdient de aandacht. Een ander relevant
aspect betreft het naast elkaar bestaan van de levensloopregeling en de
spaarloonregeling, waarbij werknemers een keuze tussen beide moeten
maken.
Voorts noemt de SER enkele opties tot wijziging van de levensloopregeling
die in of naar aanleiding van de voorgestelde evaluatie aan de orde moeten
dan wel kunnen komen.
Ten eerste betreft het de optie dat het levenslooptegoed kan worden
gebruikt tussen twee dienstverbanden in, na het dienstverband of aan het
einde van de loopbaan. Het cre& euml;ren van deze mogelijkheid kan tot
gevolg hebben dat ouderen langer betaalde arbeid blijven verrichten.
Ten tweede wijst de SER op opties ter verbreding van de
levensloopfaciliteit door uitbreiding van de mogelijkheden voor in te
leggen middelen. Hierdoor kan de aantrekkelijkheid van deelname toenemen
.In dit verband is ook het combineren van de levensloopregeling en de
spaarloonregeling te noemen, onder handhaving van de
bestedingsdoelen.
Ten derde is er de optie tot verruiming van de kring van (potentieel)
gerechtigden door het loslaten van de huidige koppeling van de
levensloopregeling aan de arbeidsovereenkomst; daardoor kunnen ook mensen
zonder werk van de regeling gebruik maken. Ook kan een dergelijke
verruiming aantrekkelijk zijn tijdens de fase voorafgaand aan de eventuele
start als zelfstandig ondernemer of met het oog op het onderhoud van
menselijk kapitaal van mensen zonder werk.
Ten vierde geeft de SER in overweging om in of naar aanleiding van de
aanbevolen evaluatie aandacht te schenken aan de wijze van benutting van
het levenslooptegoed, hetzij voor niet-gespecificeerde doelen, hetzij voor
specifieke, welomschreven doelen. Bij deze niet-gespecificeerde doelen valt
te denken aan de financiering van onbetaald verlof in het algemeen;
specifieke doelen zijn bijvoorbeeld verlof ten behoeve van de combinatie
van arbeid en priv& eacute;-taken (zorg) en/of verlof ten behoeve van
scholing.
Ten vijfde beveelt de raad aan om in of naar aanleiding van de evaluatie de
wenselijkheid te verkennen van de mogelijkheid om het levenslooptegoed te
benutten bij de overgang van werknemerschap naar het actief zijn als
zelfstandige zonder personeel of als ondernemer. Een dergelijke verkenning
moet ook betrekking hebben op de mogelijkheid dat zelfstandigen beroep doen
op de levensloopfaciliteit dan wel op een vergelijkbare fiscale faciliteit
via het op ondernemers gerichte fiscale instrumentarium (zoals de
spaarvrijstelling of de zelfstandigenaftrek).& rdquo;
De Stichting van de Arbeid onderschrijft deze passages uit het MLT-advies van de SER van oktober 2006 over de individuele levensloopfaciliteit nog steeds ten volle. De aangegeven opties dienen naar de opvatting van de Stichting als uitgangskader te gelden voor de modernisering van de levensloop- en spaarloonregeling waarvoor de Stichting in deze discussienota een aantal voorstellen doet& nbsp;.& nbsp;
3.2& nbsp;Het Coalitieakkoord over levensloop
Aanpassing van de levensloopregeling is niet alleen volgens de SER nodig.
Ook de huidige regeringscoalitie is, zoals blijkt uit het Coalitieakkoord
van februari 2007, van oordeel dat de levensloopregeling moet worden
aangepast.
In het akkoord wordt aangekondigd dat de levensloopregeling verder wordt
uitgebreid en zodanig nader wordt vormgegeven dat de regeling meer dan
thans het geval is over de volle lengte van het arbeidzame leven de
mogelijkheden tot (blijvende) arbeidsdeelname ondersteunt en dat ook de
start van een eigen bedrijf, de periode tussen twee banen of de overgang
naar deeltijdwerk kan worden overbrugd. Verder wordt in het coalitieakkoord
aangekondigd dat in overleg met sociale partners zal worden bezien of, en
zo ja hoe, de spaarloonregeling kan worden ge& iuml;ntegreerd met de
levensloopregeling en worden opengesteld voor zelfstandigen en
zzp& rsquo;ers. Leerrechten voor scholingsfaciliteiten en het sparen voor
inkomen tijdens een verruimd ouderschapsverlof worden, aldus het
coalitieakkoord, aan de bestaande levensloopregeling gekoppeld.
Een volgend punt uit het coalitieakkoord is de aankondiging dat het gebruik
van de levensloopregeling voor vervroegd pensioen zal worden toegespitst op
de inzet voor deeltijdpensioen. De passage in het akkoord wordt besloten
met het voornemen om de levensloopregeling beter toegankelijk te maken voor
met name mensen met lage inkomens.
4.& nbsp;Inventarisatie van oorzaken van het geringe gebruik van de
levensloopregeling
In deze paragraaf is getracht een inventarisatie te maken van de
belangrijkste redenen waarom het gebruik van de levensloopregeling door
werknemers tegenvalt.
Naast een aantal concrete belemmerende factoren, is er naar het gevoelen
van de Stichting, ook bij veel werknemers sprake van een gebrek aan
vertrouwen in de politiek dat de levensloopregeling ook op langere termijn
een stabiele regeling is waarop plannen kunnen worden gebaseerd. Een
recente analyse van bijna 1000 levensloopcontracten die bij Aegon zijn
afgesloten, maakt duidelijk dat heldere politieke keuzes over de toekomst
van de levensloopregeling erg belangrijk zijn.
De indruk bestaat dat veel werknemers vrezen dat de politiek gedurende de
spaarperiode van de levensloopregeling die vele jaren kan duren,
beperkingen zal aanbrengen. Dit zowel wat de bestedingsmogelijkheden van
het levenslooptegoed betreft als ook in die zin dat mogelijk in de toekomst
een koppeling zal worden aangebracht tussen de levensloopregeling en de
wettelijke werknemersverzekeringen (bijvoorbeeld dat mogelijk zal worden
bepaald dat bij werkloosheid het gespaarde levenslooptegoed eerst moet
worden aangewend voordat een WW-uitkering kan worden verkregen).
Ook de zinsnede in het Coalitieakkoord van het huidige kabinet dat
& ldquo;het gebruik van de levensloopregeling voor vervroegd pensioen verder
wordt toegespitst op de inzet voor deeltijdpensioen& rdquo; wekt bij
werknemers onrust. Kan ik nog wel sparen voor levensloop en het tegoed
gebruiken om eerder te stoppen met werken? Deze bestedingsmogelijkheid is
immers expliciet opgenomen in de Kabinetsverklaring d.d. 5 november
2004& nbsp; en maakt als zodanig onderdeel uit van het destijds bereikte
akkoord tussen het kabinet en de sociale partners.
Wat betreft de vrees voor een toekomstige koppeling met wettelijke
werknemersverzekeringen heeft de SER expliciet uitgesproken dat de
individuele levensloopfaciliteit & ldquo;geenszins in de plaats mag komen
van, noch worden verknoopt met de huidige wettelijke
werknemersverzekeringen (inkomensvervangende regelingen op
risicobasis).& rdquo;
Andere, meer concrete oorzaken van het tot op heden tegenvallende gebruik van de levensloopregeling zijn:
a.& nbsp;Concurrentie van de spaarloonregeling als gevolg van
anticumulatie
De levensloopregeling blijkt veel concurrentie te ondervinden van de
spaarloonregeling. Veel werknemers hebben met spaarloon al langere tijd
ervaring en is men gewend aan deze fiscaal gefaciliteerde spaarvorm. Men
wil dit spaarpotje voor toekomstige bestedingen niet missen. Verder is het
niet toegestaan om in eenzelfde jaar voor zowel te sparen in het kader van
de spaarloonregeling als in te leggen voor de levensloopregeling. Ook moet
vooraf gekozen worden tussen meedoen met spaarloon en het gebruik van de
levensloopregeling. Achteraf het besluit nemen om het gespaarde in te
zetten voor levensloop dan wel voor spaarloon, is niet mogelijk. Ten slotte
wordt ook wel aangevoerd dat louter fiscaal gezien spaarloon voor een deel
van de deelnemers een groter voordeel biedt dan levensloopsparen. Bij
spaarloon is immers sprake van afstel van belastingheffing terwijl het bij
levensloop gaat om uitstel van de belastingheffing en de opbouw van de
levensloopverlofkorting.
De regeringscoalitie heeft voorgesteld om in overleg met de sociale
partners te bezien of, en zo ja hoe, de spaarloonregeling kan worden
ge& iuml;ntegreerd in de levensloopregeling.
b.& nbsp;Complexiteit van de levensloopregeling
Voor veel werknemers zijn de fiscale voordelen van sparen voor levensloop
niet duidelijk. Een belangrijk punt in dit verband is dat de
heffingskorting pas kan worden genoten bij opname van het
levenslooptegoed.
Voor werkgevers is de uitvoering gecompliceerd en zijn er hoge
administratieve lasten. Een aangepaste regeling zal dan ook beter moeten
scoren op de punten van transparantie en eenvoudige uitvoering.
c.& nbsp;Voor veel werknemers is levensloopsparen moeilijk haalbaar
Wil het levensloopsparen materi& euml;le betekenis hebben, dan zal er toch
ruimte moeten worden gevonden om een zodanig percentage opzij te leggen dat
de mogelijke bestedingdoelen haalbaar worden. Vaak staan echter de te
realiseren doelen niet in een realistische verhouding tot het spaarbedrag
dat men zich kan of wil permitteren. Dit geldt niet alleen voor veel
werknemers uit de lagere inkomenscategorie& euml;n, maar ook voor veel
jongere goed betaalde werknemers, met bijvoorbeeld een studieschuld die
moet worden afgelost. In dit verband kan erop worden gewezen dat de
wettelijke bepaling op grond waarvan een eventuele werkgeversbijdrage voor
de levensloopregeling ook aan niet-deelnemende werknemers moet worden
uitgekeerd in de vorm van belast loon, niet echt een stimulans voor deze
regeling vormt (zie ook hierna punt f). Het vorenstaande neemt echter niet
weg dat ook met een gering percentage inleg gedurende een aantal jaren toch
een substantieel tegoed kan worden opgebouwd.
d.& nbsp;Medewerking werkgever bij opnemen van levensloopverlof
onzeker
De wettelijke levensloopregeling bevat geen bepalingen op grond waarvan de
werkgever gehouden is in beginsel medewerking te verlenen als het gaat om
het opnemen van met het gespaarde levenslooptegoed te financieren onbetaald
verlof.
Er zijn overigens geen aanwijzingen dat werkgevers in de toekomst niet
bereid zullen zijn om medewerking te verlenen als het gaat om redelijke
verzoeken voor het opnemen van levensloopverlof. Gewezen kan bijvoorbeeld
worden op het grote aantal collectieve arrangementen dat wordt aangeboden
door ondernemingen. Hoewel de werkgever zwaarwegende belangen kan hebben om
een aanvraag van verlof te weigeren, houdt de norm van goed werkgeverschap
in dat een redelijk verzoek niet zomaar kan worden geweigerd.
Het is ook redelijk om werknemers duidelijkheid te bieden dat zij na voor
levensloop te hebben gespaard in beginsel ook die gelden kunnen besteden.
Uiteraard zal op dit punt ook rekening gehouden moeten worden met de
continu& iuml;teit van de bedrijfsvoering. Inmiddels heeft het bedrijfsleven
ook ruime ervaring opgedaan met de wijze waarop het wettelijke recht op het
gaan werken in deeltijd is geregeld in relatie tot het bedrijfsbelang. In
sommige cao& rsquo;s zijn de afgelopen jaren dan ook al procedurele en ook
andere afspraken opgenomen waardoor de levensloopregeling in de
desbetreffende bedrijven een meer ge& iuml;ntegreerd onderdeel van het
arbeidsvoorwaardenpakket is gaan uitmaken.
e.& nbsp;De beperkte bestedingsmogelijkheden
Voor het opnemen van levenslooptegoed is thans altijd een werkgever
nodig.
Besteding van levensloopgeld in een periode tussen de ene baan en de
volgende baan en ter overbrugging bij de start vaneen eigen bedrijf, is
thans mede ook om die reden niet mogelijk.
Zowel door de SER als door de regeringscoalitie wordt voorgesteld om de
bestedingsmogelijkheden uit te breiden.
f.& nbsp;Geen stimulans voor een werkgeversbijdrage
Volgens de huidige wettelijke levensloopregeling kan een werkgeversbijdrage
bij cao of anderszins worden overeengekomen, maar een dergelijke bijdrage
zal dan ook aan werknemers die niet deelnemen aan de regeling moeten worden
uitgekeerd als direct belastbaar loon. Deze verplichting, die voortkomt uit
het individuele karakter van de levensloopfaciliteit, blijkt niet bepaald
een stimulans op te leveren om in het kader van het
arbeidsvoorwaardenoverleg afspraken te maken over een werkgeversbijdrage.
5.& nbsp;Voorstellen tot modernisering van de
levensloopregeling
5.1& nbsp;Inleiding
Uitgangspunt voor de Stichting van de Arbeid is dat de Levensloopregeling
de arbeidsparticipatie moet bevorderen en meer aansluitin
g moet krijgen bij
een flexibele arbeidsmarkt. De doelstelling van het Kabinet dat de regeling
& ldquo;over de volle lengte van het arbeidzame leven de mogelijkheden tot
(blijvende) arbeidsdeelname ondersteunt& rdquo;, wordt door de Stichting
onderschreven.
De Stichting is van mening dat de levensloop het in zich heeft om te
ontwikkelen tot een belangrijk instrument in de arbeidsmarkt en zij
ondersteunt dan ook de voorstellen van het kabinet om te komen tot
actualisering en modernisering van de regeling. Veranderende verhoudingen,
individualisering, toenemende arbeidsmobiliteit en het stimuleren dat
langer wordt doorgewerkt, vragen om nieuwe instrumenten die anders dan de
bestaande collectieve (verplichte) arrangementen werkgevers en werknemers
de mogelijkheid geven om flexibel in te spelen op de ontwikkelingen op de
arbeidsmarkt en priv& eacute;omstandigheden. De levensloopregeling kan zich
ontwikkelen tot een waardevol instrument waarmee werknemers hun inkomen
beter over het werkzame leven kunnen verdelen en werkgevers meer
mogelijkheid wordt geboden om werknemers actief en vitaal te betrekken bij
de onderneming. Hierdoor worden mensen in staat gesteld een goede balans te
vinden tussen werk en priv& eacute;, en kunnen daardoor beter en langer
inzetbaar blijven, al dan niet met gebruik van (deeltijd)arrangementen
gedurende een periode voorafgaand aan het oudedagspensioen.
Daarvoor is nodig dat de levensloopregeling in de toekomst veel meer wordt
gebruikt dan thans. De gemoderniseerde levensloopregeling zal een robuuste
individuele spaarfaciliteit moeten worden, die deelnemers kunnen gebruiken
als inkomensbron voor vele zelf te kiezen doeleinden. Daarvoor wordt in
deze paragraaf een aantal concrete voorstellen gedaan.
Een deel van de Stichting, zijnde MKB-Nederland, kan zich niet vinden in de
voorstellen voor modernisering van de regelingen levensloop en sparen. Dit
deel is van mening dat, gegeven de kwalitatieve arbeidsmarktkrapte, het
aantrekkelijker maken van de levensloopregeling niet in het belang is van
het midden-en kleinbedrijf. De inspanningen moeten primair worden gericht
op het beheersbaar maken van de verlofregelingen in plaats van op
uitbreiding.& nbsp;& nbsp;
Het aantrekkelijker maken van de levensloopregeling, naast de in omvang en
in hoeveelheid bestaande substantieel aantal verlofregelingen, plaatst het
midden- en kleinbedrijf voor grote organisatorische problemen mede als
gevolg van het niet beschikbaar zijn van voldoende kwalitatieve
vervanging.
Voorts wijst dit deel erop dat de belangstelling onder werknemers voor
deelname aan de levensloopregeling gering is. De levensloopregeling wordt
vooral als een middel gezien om vervroegde pensionering mogelijk te
maken.
Tenslotte wijst dit deel erop dat de levensloopregeling geen geschikt
instrument is om de arbeidsparticipatie substantieel in omvang te laten
toenemen.
In aansluiting op het meerderheidsstandpunt van de Stichting van de Arbeid dat de levensloopregeling een meer robuuste individuele spaarfaciliteit zou moeten worden,& nbsp; pleit de Stichting van de Arbeid er in par. 5.2 voor om de bestaande heffingskorting bij opname van levensloopverlof om te bouwen tot een levensloopbonus en deze op een eerder moment bij te schrijven op de levenslooprekening van de deelnemer.
Naar de opvatting van de Stichting van de Arbeid zou een modernisering van de levensloopregeling ook moeten inhouden dat de levensloopregeling meer wordt gericht op het (mede)financieren van de overgangen, & lsquo;transities& rsquo;, in de levensloop, zoals voor de combinatie van werk- en zorgtaken, bij de overgang van voltijd naar deeltijd, voor de periode tussen twee banen in, bij de overgang van werknemerschap naar ondernemerschap, bij langer durend verlof voor studie of anderszins, bij de afbouw van de loopbaan voorafgaande aan het ouderdomspensioen. Kortom het levenslooptegoed moet kunnen worden ingezet voor verschillende situaties waarin sprake is van inkomensderving. Dit alles ter vrije keuze door de werknemer. De reden van de inkomensderving zou dan ook niet vooraf door de werkgever dienen te worden getoetst, ook om de administratieve lasten te beperken. Over deze verruiming van bestedingsmogelijkheden en van het gebruik van het levensloopsparen zal in par. 5.3 nader worden ingegaan.
Daarnaast bepleit de Stichting van de Arbeid in par. 5.4 een ruimere
aanwending van de levensloopregeling door het openstellen van de regeling
voor ondernemers/zzp& rsquo;ers.
Voorts dient een modernisering van de levensloopregeling naar de mening van
de Stichting van de Arbeid in te houden dat de regeling aan eenvoud wint en
dat de administratieve lasten zo gering mogelijk zijn en daar komen te
liggen waar de uitvoering het beste kan geschieden. In par. 5.5 zullen
hiervoor enkele varianten worden gepresenteerd.
Verder wenst de Stichting van de Arbeid dat het wettelijke voorschrift
wordt geschrapt op grond waarvan thans een eventuele werkgeversbijdrage
voor de levensloopregeling ook moet worden toegekend aan niet-deelnemers in
de vorm van belast loon. In par. 5.6 wordt hierop ingegaan.
Een belangrijk element in een modernisering van de levensloopregeling zal
ten slotte moeten zijn dat een oplossing wordt gevonden voor de
concurrentie met de spaarloonregeling. Sparen voor levensloop, betekent
thans dat niet langer mag worden gespaard via de spaarloonregeling, een
regeling waarbij uit het bruto loon mag worden gespaard terwijl over het na
de blokkeringsperiode ter beschikking komende spaargeld geen belasting
behoeft te worden betaald. Voor dit probleem wordt in paragraaf 5.7 een
tweetal oplossingsvarianten uitgewerkt.
Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid
Opgemerkt wordt
dat de voorstellen gedaan in de paragrafen 5.2 t/m 5.5 nog nader moeten
worden getoetst op uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid.
Budgettaire effecten
Uiteraard brengen de voorstellen in de navolgende paragrafen gericht op
een& nbsp; modernisering van de levensloopregeling budgettaire lasten met
zich. Alleen voor & eacute;& eacute;n van de twee oplossingsvarianten die in
par. 5.7 worden gepresenteerd, kan de Stichting gebruik maken van een
raming van het budgettaire beslag voor de overheid. Wat de overige
voorstellen betreft, zullen de daarmee verband houdende kostenconsequenties
voor het overheidsbudget in het kader van het aangekondigde overleg met de
overheid moeten worden geraamd. Vervolgens zal in het overleg moeten worden
bezien in welke mate en in welk tempo de gewenste aanpassingen kunnen
worden gerealiseerd.
In dit verband wijst de Stichting ook op de budgettaire ruimte voor de
levensloopregeling welke voorzien is in de meerjarenramingen (& euro; 6
miljoen in 2007, oplopend tot & euro; 59 miljoen in 2012).
5.2& nbsp;Omzetting belastingkorting levensloopregeling
(heffingskorting) in een & lsquo;levensloopbonus& rsquo;
De aantrekkingskracht van de levensloopregeling kan worden vergroot door het fiscale voordeel meer transparant te maken. Zo kan de huidige levensloopkorting, een fiscale heffingskorting die wordt toegekend bij opname van het gespaarde tegoed voor financiering voor onbetaald verlof, worden omgezet in een levensloopbonus welke de overheid stort op de levenslooprekening van de deelnemer aan het einde van het jaar van inleg. Het voordeel dat de overheid bij een dergelijke levensloopbonus biedt, lijkt dan op het voordeel dat vroeger in de zilvervlootregeling werd geboden. Voorwaarde daarbij is wel dat het levenslooptegoed niet zonder besteding in de vorm van financiering van levensloopdoelen (onbetaald verlof, als inkomen(saanvulling) bij transities en bij& nbsp; (deeltijd)verlof voorafgaand aan ouderdomspensioen alsmede in geval van verhoging van het ouderdomspensioen binnen de toegelaten fiscale ruimte daarvoor, ge& iuml;ncasseerd kan worden. Bij vrije besteding buiten de overigens sterk te verruimen levensloopsfeer zoals door de Stichting hierna in par. 5.3 wordt bepleit, zou de levensloopbonus in ieder geval moeten worden terugbetaald. Deze toetsing achteraf door de Belastingdienst zou wellicht specifiek gericht kunnen worden op die situaties waarin de uitkering van het levenslooptegoed in enig jaar de & lsquo;inkomensderving& rsquo; overtreft. Overigens dient de nadere vormgeving van deze toetsing nog nader te worden bezien met het oog op uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid.& nbsp;
5.3& nbsp;Verruiming van de bestedingsmogelijkheden
In de inleiding van deze paragraaf is gesteld dat naar de opvatting van de
Stichting van de Arbeid een modernisering van de levensloopregeling ook zou
moeten inhouden dat de levensloopregeling ook kan worden ingezet op het
(mede)financieren van de overgangen, & lsquo;transities& rsquo;, in de
levensloop. Dat betekent dat niet alleen zou mogen worden gespaard voor
inkomensvervanging voor langer durend onbetaald verlof tijdens het
& lsquo;spitsuur& rsquo; van het leven voor de verzorging van kinderen, zoals
voor het voorzien van vervangend inkomen tijdens ouderschapsverlof en ander
zorgverlof of educatief verlof dan wel voor langer durend verlof gericht op
andere doelen zoals sabatsverlof, maar ook dat gespaard mag worden voor
gehele of gedeeltelijke inkomensvoorziening tussen twee banen in, of bij
overgang van werknemer naar ondernemer.
Met het kabinet kan worden ingestemd om de levensloopregeling ook te
gebruiken voor vroegpensioen in deeltijd. Dit mag er naar het oordeel van
de Stichting van de Arbeid echter niet toe leiden dat het gebruik van de
levensloopregeling direct voorafgaand aan de ingang van het
ouderdomspensioen, dus als vervanger van het niet meer toegestane
vroegpensioen (& lt; 65 jaar), onmogelijk wordt gemaakt of wordt ontmoedigd.
De Stichting wijst in dit verband op de Kabinetsverklaring van 5 november
2004 in het kader van het Najaarsoverleg waarin deze bestedingsvorm
nadrukkelijk is geaccordeerd. Als zodanig maakt deze bestedingsmogelijkheid
deel uit van het toen bereikte Najaarsakkoord tussen de sociale partners en
het Kabinet op het WAO- en het VPL-dossier. De Stichting van de Arbeid acht
het niet aanvaardbaar dat dit onderdeel& nbsp; nu zou worden teruggedraaid.
Voorts acht de Stichting het wenselijk dat wordt toegestaan dat het levenslooptegoed wordt gebruikt voor een aanvulling op het inkomen tot maximaal het inkomen van het voorgaande jaar. In dat verband wordt opgemerkt dat, mede in het licht van de in par. 5.4 bepleite openstelling van de levensloopregeling voor ondernemers/zzp& rsquo;ers, uit de huidige wettelijke regeling het voorschrift zou moeten worden geschrapt dat voor het kunnen besteden van het levenslooptegoed er altijd sprake moet zijn van een dienstbetrekking bij een werkgever.
Samengevat komt het pleidooi voor verbreding van de aanwendingsmogelijkheden neer op het mogelijk maken dat het levenslooptegoed mag worden gebruikt voor periodes van minder inkomen. De reden van inkomensderving doet naar de opvatting van de Stichting niet zo zeer ter zake en zou daarom ook niet beperkt of door de werkgever getoetst moeten worden.
5.4& nbsp;Openstelling levensloopregeling voor
ondernemers/zzp& rsquo;ers
De Stichting van de Arbeid is het met het Kabinet eens dat ook gespaard
moet kunnen worden voor de financiering van levensloopverlof bij overgang
naar het ondernemerschap.
Daarnaast stelt de Stichting van de Arbeid voor om de Levensloopregeling
ook open te stellen voor zelfstandige ondernemers. Ook zelfstandigen zouden
in de gelegenheid moeten worden gesteld om met fiscale ondersteuning te
kunnen sparen voor bepaalde doelen. Dat behoeven niet precies dezelfde
doelen te zijn als voor werknemers, want de arbeidssituatie van werknemers
en zelfstandigen is in menig opzicht verschillend. Dat is ook de reden dat
op dit moment al op meerdere beleidsterreinen de invulling van het beleid
voor werknemers en zelfstandigen verschillend is, terwijl het basisprincipe
gelijk of vergelijkbaar is. In dit verband kan worden gedacht aan de
huidige fiscale regelingen voor de oude dag, aan de toepassing van de
bijstandswetgeving, aan de arbeidsongeschiktheidsregelingen (toen de WAZ
nog bestond), aan de IOAW versus de IOAZ.
Kortom, de legitimatie van een levensloopregeling is voor werknemers en
zelfstandigen in hoge mate dezelfde. Zoals aangegeven zal de invulling
deels verschillend moeten zijn, omdat de arbeidssituatie van beide
categorie& euml;n uiteen loopt.
Kern van een & lsquo;levensloopregeling zelfstandigen& rsquo; zou kunnen zijn
een regeling waarbij met fiscale ondersteuning gespaard kan worden om
inkomensderving geheel of ten dele te compenseren, bijvoorbeeld in geval
van:
& bull;& nbsp;langer durend verlof;
& bull;& nbsp;zwangerschaps- en bevallingsverlof in aanvulling op de komende
wettelijke voorziening hiervoor;
& bull;& nbsp;de zorg voor kinderen;
& bull;& nbsp;het verlenen van mantelzorg;
& bull;& nbsp;tijdelijke inkomensderving wegens bedrijfsomstandigheden;
& bull;& nbsp;bedrijfsbe& euml;indiging (directe be& euml;indiging of
be& euml;indiging op termijn);
& bull;& nbsp;arbeidsongeschiktheid, als aanvulling op een uitkering of als
(aanvullend) inkomen.
Bij gebruik van de levensloopregeling bij tijdelijke inkomensderving wegens bedrijfsomstandigheden en bij bedrijfsbe& euml;indiging kan desgewenst aansluiting gezocht worden bij de desbetreffende wettelijke regelingen voor zelfstandigen: namelijk de Bbz (in het bijzonder art. 13) en IOAZ. De & lsquo;eigen& rsquo; spaarregeling en de betreffende wettelijke regelingen moeten dan wel nader op elkaar worden afgestemd en daarover moeten (werk)afspraken gemaakt worden tussen de overheid en de betrokken ondernemingsorganisaties.
Het restant spaarsaldo kan, evenals bij de levensloopregeling voor werknemers, aangewend worden voor inkoop van additionele aanspraken in het kader van de oudedagsvoorziening, uiteraard binnen de daarvoor geldende fiscale begrenzingen.
& nbsp;
5.5& nbsp;Vereenvoudigde uitvoering van de levensloopregeling
De huidige levensloopregeling leidt thans al tot grote administratieve
lasten. Bij een verbreding van de bestedingsmogelijkheden zoals hiervoor is
bepleit, ligt het in de rede om zorgvuldig na te gaan of de uitvoering,
zeker wat betreft de controle op de maxima van de inleg en de uitbetaling
van het levenslooptegoed, niet zou moeten worden losgekoppeld van de
administratie van de werkgever. Immers op het moment dat de
levensloopregeling ook kan worden ingezet in een periode tussen twee banen
of bij een overgang naar het ondernemerschap, is er geen werkgever meer die
zorg kan dragen voor de afwikkeling. Van de oude werkgever mag in
redelijkheid niet worden verwacht dat deze de werknemer in dienst houdt
voor het afwikkelen van de levensloopregeling.
Ook zal een besluit moeten worden genomen over de uitvoering van de
levensloopregeling voor zelfstandigen/zzp& rsquo;ers, waarvoor de Stichting
in de vorige paragraaf heeft gepleit.
Gelet op het voorgaande denkt de Stichting aan de volgende opties met betrekking tot de uitvoering:
& bull;& nbsp;Ten aanzien van de inleg
& nbsp;-& nbsp;De werkgever heeft een rol als het gaat om de inleg in de
levensloopregeling van zijn werknemers. De werkgever is daarbij goed in
staat om de maximale jaarlijkse inleg van 12% van het jaarsalaris te
toetsen. Bij een verbreding van de mogelijkheden tot deelname aan de
levensloopregeling zodat ook zelfstandigen/zzp& rsquo;ers kunnen
participeren, zal de Belastingdienst echter moeten toezien op de maximale
jaarlijkse inleg voor zover het gaat om die deelnemers die geen werknemer
zijn. Het gaat hierbij om een toetsing achteraf op basis van de aangifte
IB.& nbsp;
De maximale totaalinleg van 210% kan echter, ook als het gaat om
werknemers, niet in alle gevallen door de werkgever worden getoetst. Daarom
wordt voorgesteld om de toetsing hierop voortaan voor alle deelnemers door
de Belastingdienst te laten uitvoeren.
-& nbsp;Een vereenvoudiging van de uitvoering van de levensloopregeling kan
ook worden bereikt door over de inleg geen premies werknemersverzekeringen
te moeten inhouden, zoals dat ook bij de inleg voor pensioenvoorzieningen
is geregeld. Een dergelijke maatregel past ook bij de door de Stichting
bepleite uitbreiding van de deelname aan de levensloopregeling voor
zelfstandigen/zzp& rsquo;ers. Ter voorkoming van misverstanden merkt de
Stichting hierbij op dat een dergelijke maatregel er niet toe mag leiden
dat werknemers tijdens het opnemen van verlof niet langer verzekerd zijn
voor de werknemersverzekeringen. De Stichting gaat er vanuit dat de
bestaande wettelijke bepalingen inhoudende dat bij verlof gedurende ten
hoogste 18 maanden de verlofganger voor de werknemersverzekeringen
verzekerd blijft, gehandhaafd blijven. Dit geldt overigens ook voor de
verzekering voor het overlijdens- en invaliditeitsrisico in de
pensioenregeling. W& eacute;l leidt de maatregel tot een verlaagde
uitkeringsgrondslag.& nbsp;& nbsp;
& nbsp;
& bull;& nbsp;Ten aanzien van de uitkering
Als het gaat om de uitkeringsfase zou bezien moeten worden of de gehele
uitvoering in handen kan komen van de uitvoerders van de regeling waar de
ingelegde gelden zijn ondergebracht. Dit onder de aanname dat de regeling
wat betreft toetsing en controle aanzienlijk is vereenvoudigd. De
administratie van de levensloopbonus waarvoor door de Stichting wordt
gepleit, zal door de Belastingdienst gedaan moeten worden. Een ander
probleempunt in dit verband betreft de premie voor de Zorgverzekeringswet.
Overige maatregelen ter vereenvoudiging van de levensloopregeling:
& bull;& nbsp;Hoewel de ouderschapsverlofkorting voor de desbetreffende werknemers een extra fiscale stimulans betekent voor deelname aan de levensloopregeling, pleit de Stichting van de Arbeid er toch voor deze uit de levensloopregeling te halen. Het hiermee bespaarde budgettaire beslag moet echter beschikbaar blijven voor de doelgroep, maar dan in het kader van de nieuwe ouderschapsverlofregeling. In de huidige levensloopregeling is sprake van een ouderschapsverlofkorting van maximaal 50% van het wettelijke minimumloon voor ouders van jonge kinderen. Op dit moment vormt deelname aan de levensloopregeling een noodzakelijke voorwaarde voor het toekennen van deze additionele heffingskorting. Het argument voor het uit de levensloopverlofregeling halen van deze extra fiscale faciliteit is tweeledig: het vereenvoudigt de levensloopregeling en het biedt de mogelijkheid om de ouderschapsverlofregeling beter qua fiscale ondersteuning af te stemmen op de behoeften.
& bull;& nbsp;Kredietfaciliteit schrappen. Aangezien bij werknemers nauwelijks behoefte aan een dergelijke faciliteit blijkt te bestaan en er, voor zover bekend, ook geen uitvoerders zijn die deze thans wettelijk toegestane faciliteit aanbieden, verdient het volgens de Stichting van de Arbeid aanbeveling deze te schrappen.
& nbsp;
5.6& nbsp;Afschaffing wettelijk verplichting om een werkgeversbijdrage ook aan niet-deelnemers te betalen
& nbsp;In een groot aantal cao& rsquo;s zijn afspraken gemaakt over de
levensloopregeling. Veelal gaat het daarbij om de keuze van een zogeheten
& lsquo;prefered provider& rsquo; die aantrekkelijke voorwaarden aanbiedt
voor het onderbrengen van de ingelegde gelden. De wettelijke
levensloopregeling biedt de mogelijkheid van een werkgeversbijdrage. In
sommige gevallen is een dergelijke werkgeversbijdrage onderdeel van de
cao-afspraak over levensloop. Daarbij geldt echter het wettelijke
voorschrift dat de afgesproken bijdrage ook aan niet-deelnemende werknemers
in de vorm van belastbaar loon moet worden uitgekeerd. Een dergelijke
beperking is geen stimulans voor de levensloopregeling. Daarom stelt de
Stichting van de Arbeid voor om deze verplichting in de wettelijke
levensloopregeling te schrappen. Hierdoor ontstaat op decentraal niveau de
mogelijkheid om te komen tot een & lsquo;werkgeversbijdrage
levensloop& rsquo; uitsluitend voor deelnemers aan de
levensloopregeling.
Ter voorkoming van misverstanden wordt hierbij overigens opgemerkt, dat het
vorenstaande niet impliceert dat de Stichting hiermee de totstandkoming van
dergelijke werkgeversbijdragen zou willen aanbevelen. Het gaat er de
Stichting om dat na aanpassing van de wettelijke regeling er ruimte
aanwezig is voor sociale partners om maatwerkoplossingen te realiseren. Dit
kan bijvoorbeeld, naast stoppen met de werkgeversbijdrage voor
niet-deelnemers, & oacute;& oacute;k inhouden dat een bijdrage aan
niet-deelnemers juist gecontinueerd wordt of dat de bijdrage
gedifferentieerd wordt tussen deelnemers en niet-deelnemers aan de
levensloopregeling dan wel gedifferentieerd wordt tussen deelnemers.
Als sprake is van een nieuwe werkgeversbijdrage voor aan de
levensloopregeling deelnemende werknemers, zal het ontbreken van de thans
bestaande verplichting weinig problemen opleveren. Wanneer er echter al een
werkgeversbijdrage bestaat, zal voorkomen moeten worden dat het schrappen
van de wettelijke verplichting om deelnemers en niet-deelnemers gelijk te
behandelen ertoe leidt dat niet-deelnemende werknemers hun bijdrage door
een eenzijdige beslissing kunnen kwijtraken. Hiermee zal dus zorgvuldig
moeten worden omgegaan.
De Stichting stelt daarom voor dat de wettelijke regeling erin voorziet dat
een bestaande werkgeversbijdrage voor niet-deelnemers aan de
levensloopregeling niet eerder kan worden be& euml;indigd dan na ommekomst
van de looptijd van de cao of arbeidsvoorwaardelijke afspraak waarin de
werkgeversbijdrage is geregeld. Cao-partijen zullen gezamenlijk moeten
besluiten over een eventuele in de nieuwe cao op te nemen regeling inzake
de werkgeversbijdrage voor de levensloopregeling. Daarbij zal helder moeten
worden afgesproken of de werkgeversbijdrage wel of niet (geheel of ten
dele) ook wordt uitgekeerd aan niet-deelnemers aan de
levensloopregeling.
Bij het ontbreken van een cao of arbeidsvoorwaardelijke afspraak zou de wet
moeten voorzien in een overgangsperiode gedurende welke een reeds bestaande
werkgeversbijdrage aan niet-deelnemers nog gedurende een overgangsperiode
van 2 jaar na het schrappen van de huidige wettelijke verplichting, moet
worden gecontinueerd.
5.7& nbsp;Verbetering van de concurrentiepositie van de
levensloopregeling ten opzichte van de spaarloonregeling
De huidige wettelijke anticumulatiebepaling (& oacute;f deelnemen aan de
levensloopregeling & oacute;f aan de spaarloonregeling) is geen stimulans
voor de levensloopregeling. Bovendien is het een verplichte keuze tussen
twee regelingen met een heel verschillend karakter.
Van belang is dat het maximumbedrag dat jaarlijks in het kader van de
spaarloonregeling fiscaal gunstig mag worden gespaard, & euro; 613, niet
jaarlijks wordt aangepast aan de inflatie, of aan de loonontwikkeling. De
betekenis van de spaarloonregeling zal om die reden geleidelijk aan steeds
minder worden.
De populariteit van deze regeling onder werknemers is thans echter nog
groot. Zo heeft bijna 29% van de werknemers in 2006 ingelegd voor de
spaarloonregeling. In dit verband wordt voorts nog opgemerkt dat de
spaarloonregeling destijds in het leven is geroepen om een gematigde
loonontwikkeling te stimuleren.
In het navolgende wordt een tweetal oplossingsvarianten gepresenteerd
waarbij de concurrentiepositie van de levensloopregeling ten opzichte van
de spaarloonregeling wordt verbeterd:
& bull;& nbsp;variant A & ndash; Het naast elkaar laten voortbestaan van de
levensloopregeling en de spaarloonregeling waarbij de thans voorgeschreven
anticumulatie wordt opgeheven;
& bull;& nbsp;variant B & ndash; Het inbouwen van de spaarloonregeling als
faciliteit binnen de levensloopregeling.
Bij beide varianten moet rekening worden gehouden met een additioneel
budgettair beslag. De extra kosten voor de overheid zijn moeilijk
nauwkeurig in te schatten, omdat ze sterk afhankelijk zijn van de
gedragseffecten die de beide varianten teweeg zullen brengen. Bij een
raming van de kosten zullen daarvoor veronderstellingen moeten worden
gehanteerd.
& nbsp;
5.7.1& nbsp;Variant A & ndash; Anticumulatie tussen spaarloon en levensloopsparen opheffen
Bij deze variant wordt het mogelijk dat werknemers aan beide regelingen
tegelijkertijd deelnemen. Wat het spaarloon betreft, geldt dit uiteraard
alleen wanneer de werkgever het gebruik van de spaarloonregeling
daadwerkelijk aanbiedt.
Voordelen van deze variant zijn:
& bull;& nbsp;administratief relatief eenvoudig;
& bull;& nbsp;doet recht aan het verschillende karakter van beide
regelingen;
& bull;& nbsp;deelnemers hoeven niet te kiezen;
& bull;& nbsp;beide regeling hebben een eenduidig karakter en doel;
& bull;& nbsp;deelnemen aan de spaarloonregeling vormt niet langer een
blokkade voor het deelnemen aan de levensloopregeling. Hierdoor kan deze
regeling een nieuwe start krijgen; terwijl de spaarloonregeling toch al
vanwege het ontbreken van indexering van de maximum inleg in de toekomst
geleidelijk aan betekenis zal inboeten.
Het belangrijkste nadeel van deze variant is dat er sprake is van een budgettair beslag wanneer van beide regelingen tegelijkertijd gebruik mag worden gemaakt. Ook zullen de werkgeverslasten stijgen als gevolg van een stijgend gebruik van de spaarloonregeling; dit vanwege de eindheffing van 25% over de spaarlooninleg.
Het budgettaire effect van een dergelijke maatregel is moeilijk goed in te schatten. Niet verwacht mag immers worden dat alle werknemers die nu gebruik maken van de levensloopregeling in de nieuwe situatie ook deel zullen gaan nemen aan de spaarloonregeling en wellicht in nog veel mindere mate dat alle werknemers die thans deelnemen aan de spaarloonregeling ook gaan deelnemen aan de levensloopregeling.
Van de zijde van het Ministerie van SZW is een op het Ministerie van Financi& euml;n opgesteld overzicht ontvangen van de geraamde budgettaire effecten van het afschaffen van de anticumulatie. Dit overzicht is in de eerste helft van 2007 opgesteld.
& nbsp;
Budgettaire effecten afschaffen anticumulatie (in & euro; mln. =
lastenverlichting)
& nbsp;2009& nbsp;2010& nbsp;2011& nbsp;Structureel
Extra kosten levensloop& nbsp;-75& nbsp;-85& nbsp;-100& nbsp;-75
Extra kosten spaarloon& nbsp;-30& nbsp;-35& nbsp;-35& nbsp;-35
Totaal& nbsp;-105& nbsp;-120& nbsp;-135& nbsp;-110
Hoewel de gehanteerde veronderstellingen bij het overzicht niet worden
vermeld, is bij de berekeningen uitgegaan van een gebruik van de
levensloopregeling dat iets hoger ligt dan waar ambtelijk SZW en Fin. thans
vanuit gaan. Op grond van de huidige inzichten zouden de bedragen volgens
ambtelijk SZW circa 10% lager liggen.
Hiermee rekening houdend, komen de structurele kosten van het afschaffen
van de anticumulatie, op basis van de raming van Financi& euml;n, uit op
ruim & euro; 100 miljoen.
In dit verband wordt nog opgemerkt dat naar de verre toekomst toe de lasten
voor het overheidsbudget relatief nog verder zullen afnemen; dit vanwege
het feit dat het maximum spaarloonbedrag per jaar van & euro; 613 niet is
ge& iuml;ndexeerd.
De budgettaire lasten zouden op de korte termijn nog iets kunnen worden
beperkt wanneer bepaald zou worden dat bij deelname in enig jaar aan beide
regelingen, het ingelegde spaarloonbedrag in mindering komt op de maximum
inleg voor levensloopsparen.
Overigens kan worden opgemerkt dat het Ministerie van SZW, waar het gaat om
het budgettaire kader op langere termijn, ook rekening houdt met een
substanti& euml;le stijging van de belastinguitgaven voor de
levensloopregeling. Ten opzichte van de uitgaven in 2006 voor de
spaarfaciliteit (afgezien dus van de uitgaven voor de
ouderschapsverlofkorting) ten bedrage van & euro; 385 miljoen, raamt de
overheid voor 2008 voor de spaarfaciliteit een uitgavenlast van & euro; 600
miljoen.
& nbsp;
5.7.2& nbsp;Variant B & ndash; Het inbouwen van de spaarloonregeling als een faciliteit binnen de levensloopregeling
Bij deze variant wordt de spaarloonregeling verbonden met de levensloopregeling Dit zou kunnen geschieden op de volgende wijze:
& bull;& nbsp;De nieuwe regeling wordt toegankelijk voor alle deelnemers aan de gemoderniseerde levensloopregeling, zoals in deze nota wordt bepleit.
& bull;& nbsp;Na vier jaar heeft de deelnemer de mogelijkheid om te beslissen om een bedrag van maximaal & euro; 613 belastingvrij op te nemen door overboeking naar een vrij besteedbare priv& eacute;rekening, dan wel te besluiten om dit bedrag definitief in te zetten voor de levensloopdoelstelling.& nbsp; Hoe deze keuze ook uitvalt, de deelnemer zal zelf een expliciet besluit moeten nemen.
& bull;& nbsp;Gedurende de eerste vier jaar blijven de huidige deblokkeringmogelijkheden van de spaarloonregeling bestaan.
& bull;& nbsp;Voor een inleg die het bedrag van & euro; 613 te boven gaat (tot een maximum van 12% van het loon), geldt de omkeerregel vanaf de eerste dag; opname van het totale ingelegde bedrag is mogelijk binnen vier jaar, conform de deblokkerinsgmogelijkheden van de huidige spaarloonregeling; daarbij wordt de eerste & euro; 613 vrijgesteld van belasting.
& bull;& nbsp;Na vier jaar wordt de inleg fiscaal op dezelfde wijze behandeld
als die bij de huidige levensloopregeling. Indien de heffingskorting op een
eerder moment in de vorm van een levensloopbonus wordt uitgekeerd zoals in
par. 5.2 is bepleit, zou er in deze variant toe moeten leiden dat de bonus
na ommekomst van het vierde jaar door de overheid op de levenslooprekening
wordt gestort& nbsp; . Dit kan ook worden overeengekomen voor een eventuele
specifieke werkgeversbijdrage voor de levensloopregeling.
& nbsp;
& bull;& nbsp;De huidige bepalingen inzake de premieheffing voor de
werknemersverzekeringen bij handhaving van het huidige regime van de
levensloopregeling (op de inleg worden premies werknemersverzekeringen
ingehouden), leiden in deze variant tot de noodzaak van
verrekeningen/correcties in die gevallen waarin ook voor een
spaarloonbesteding wordt gekozen. Dergelijke correcties/verrekeningen
kunnen worden voorkomen door het premieregime voor spaarloon en levensloop
aan elkaar gelijk te maken. In par. 5.5 is er reeds voor gepleit om de
premieheffing voor de werknemersverzekeringen over de inleg voor de
levensloopregeling af te schaffen. Hierdoor wordt het premieregime voor de
spaarloonfaciliteit gelijk aan dat voor de inleg voor de
levensloopregeling.
& bull;& nbsp;De minimale jaarinleg om voor de jaarlijkse levensloopbonus (thans & euro; 188) in aanmerking te komen, zou gelijk moeten zijn aan het maximum spaarloonbedrag per jaar.
& bull;& nbsp;Om de concurrentiepositie van de levensloopregeling ten opzichte van spaarloon te verbeteren, wordt voorgesteld om het fiscale voordeel van de levensloopbonus aan te passen aan het fiscale voordeel van het spaarloon. Hierbij wordt er overigens van uitgegaan dat het fiscale voordeel zowel op de spaarloonbesteding als op levensloopsparen ge& iuml;ndexeerd wordt.
& bull;& nbsp;Ook voor deze variant zal een raming moeten plaatsvinden van
het budgettaire beslag voor de overheid. Hiervoor zullen in beginsel
dezelfde veronderstellingen moeten worden gehanteerd als bij variant A. Wel
ligt het in de rede te verwachten dat de totale lasten voor de overheid
lager zullen uitkomen dan bij variant A het geval zal zijn.
& bull;& nbsp;Een ander punt dat in dit verband van belang is, betreft de omzetting van de levensloopkorting in een levensloopbonus die de overheid na vier jaar stort op de levenslooprekening van de deelnemer in plaats van deze pas te & lsquo;betalen& rsquo; op het moment van opname. Dit betekent een naar voren halen van lasten. Strikt genomen gaat het echter niet om een structureel effect op de overheidsfinanci& euml;n.
& bull;& nbsp;Verwacht wordt dat van deze gecombineerde regeling een substanti& euml;le stimulans zal uitgaan in het bijzonder wat het sparen voor levensloopbestedingen betreft,& nbsp; terwijl de additionele budgettaire lasten voor de overheid ten opzichte van variant A naar verwachting beperkt blijven.
& bull;& nbsp;Tevens leidt een dergelijke maatregel ertoe dat de integratie
van spaarloon en levensloop eenvoudiger wordt, aangezien over de
spaarlooninleg geen premies werknemersverzekeringen worden geheven.
& nbsp;
& bull;& nbsp;Specifieke voordelen voor de deelnemer zijn dat deze:
?& nbsp;gewoon kan sparen zonder bij de aanvang al een keuze te hoeven
maken;
?& nbsp;kan blijven kiezen voor de mogelijkheden van de huidige
spaarloonregeling, maar dan zelf het initiatief moet nemen om na de
blokkeringsperiode van vier jaar het maximale spaarbedrag van & euro; 613
als een vrij te besteden bedrag over te boeken van de gecombineerde
levensloop-/spaarloonrekening;
& nbsp;
& nbsp;
& bull;& nbsp;Specifieke voordelen voor de werkgever zijn:
?& nbsp;ten opzichte van de huidige situatie in die gevallen waarin thans
twee regelingen worden aangeboden& nbsp; , dit kan worden beperkt tot
& eacute;& eacute;n regeling;
?& nbsp;de eindheffing wordt voor de spaarloonfaciliteit afgeschaft. De
kosten hiervan zullen echter wel buiten de levensloopregeling door
werkgevers moeten worden opgebracht.
& bull;& nbsp;Nadelen van de gecombineerde regeling bij deze variant zijn
echter wel dat:
?& nbsp;de gecombineerde regeling twee regelingen met een heel verschillend
karakter verenigt en daardoor ook aanzienlijk gecompliceerder is dan de
beide afzonderlijke regelingen, waardoor de administratieve lastendruk
toeneemt;
?& nbsp;hoewel bij deze variant de Stichting van de Arbeid ervoor pleit om
de eindheffing voor werkgevers op de inleg voor de spaarloonfaciliteit af
te schaffen, dit wel zal leiden tot een toename van het aantal deelnemers
dat van deze faciliteit gebruik zal maken. Dit heeft een additionele
werkgeverslast (buiten de regeling) tot gevolg.
& nbsp;
5.7.3& nbsp;Beoordeling van de beide varianten
& nbsp;
In de Stichting van de Arbeid is uitvoering van gedachten gewisseld over de
voor- en nadelen van de varianten A en B als mogelijke maatregelen ter
versterking van de positie van de levensloopregeling.
Hoewel de vertegenwoordigers van alle organisaties in de Stichting geen
principi& euml;le bezwaren hebben tegen & eacute;& eacute;n of beide
varianten, is er wel sprake van verschillende voorkeuren.
Zo hebben de vertegenwoordigers van VNO-NCW en van LTO Nederland een sterke voorkeur voor variant A. Dit wordt vooral ingegeven door enerzijds de eenvoud, uitvoerbaarheid en aantrekkelijkheid van die variant, terwijl anderzijds gevreesd wordt dat variant B qua uitvoering grote complicaties met zich zal brengen. Tevens wordt gevreesd dat met variant B het beoogde doel, namelijk een hogere deelname aan de levensloopregeling, niet zal worden gerealiseerd. Verwacht mag namelijk worden dat de meeste deelnemers na het incasseren van het spaarloonvoordeel zullen afhaken en de facto geen deelnemer in de levensloopregeling zullen worden.& nbsp; De mogelijk iets hogere lasten van variant A voor de overheid wegen zeker op tegen deze zwaarwegende nadelen.
De vertegenwoordiging van de FNV heeft sterke voorkeur voor variant B; dit
om reden dat men de ge& iuml;ntegreerde variant qua concept beter vindt dan
variant A. Bezwaren die van de zijde van de FNV worden aangevoerd tegen
variant A zijn dat het openstellen van de deelname aan beide regelingen
tegelijkertijd minder wenselijk is vanwege de hogere kosten, terwijl het
additionele fiscale voordeel vooral zal worden genoten door hogere en
middeninkomens.
Overigens signaleert men van de zijde van de FNV bij variant B nog wel het
probleem dat bij het huidige niveau& rsquo;s van fiscale stimulering van
levensloop en spaarloon, er in de& nbsp; ge& iuml;ntegreerde variant voor de
meerderheid van de deelnemers een sterkere fiscale impuls wordt gegeven
voor de spaarloonfaciliteit dan voor de levensloopdoelstelling. Gelet op de
doelstelling om het gebruik van de levensloopregeling te bevorderen, zou
daarom bezien zou moeten worden of hier een betere balans in kan worden
bereikt. Om die reden is voorgesteld de levensloopbonus beter af te stemmen
op het fiscale voordeel van de spaarloonbesteding.
Van de zijde van het CNV en de MHP is men van opvatting dat de
modernisering van de levensloopregeling geen afbreuk mag doen aan de
afspraken van het Najaarsakkoord 2004 over VUT, Prepensioen en Levensloop
(VPL). Decentrale afspraken zijn inmiddels gebaseerd op dit VPL-kader en de
betrouwbaarheid van de overheid komt in het geding op het moment dat terug
gekomen wordt op die afspraken.
De voorkeur van CNV en MHP gaat in eerste instantie uit naar variant A .
Indien het budgettaire beslag van variant A te groot zou blijken, kunnen
CNV en MHP ook akkoord gaan met variant B. Wel is bij variant B een goede
voorlichting aan werkgevers en werknemers noodzakelijk.
& nbsp;
& nbsp;
& nbsp;
& nbsp;
Reacties
Om te kunnen reageren op artikelen dient u ingelogd te zijn.
Nog geen abonnee? Registreer gratis of bekijk onze abonnementen.