Hilda Bouma
In Eindhoven en Antwerpen is kunst te zien uit de periode van 1956 tot 1986. Het is niet alleen werk uit het Westen, maar ook uit het Oostblok en de periferie. De musea proberen het standaardverhaal uit de kunstgeschiedenis een beetje bij te kleuren.
Kunst uit de Koude Oorlog
De wereld was een heel overzichtelijk tussen 1956 en 1986. Je had de eerste, de tweede en de derde wereld, waarbij ‘wij’ bij de eerste hoorden, de belangrijkste, en ‘zij’ van de tweede, onze vijanden, opgesloten zaten achter een ijzeren gordijn. De derde deed helemaal niet mee.
Wat betreft de kunst lagen de zaken ook eenvoudig: Amerika was het gidsland en de verhalende schilderkunst was dood. Leve de conceptuele kunst, de performance en het minimalisme. Generaties kunsthistorici leerden het zo. Musea wisten precies wat ze moesten verzamelen.
In een tijd dat niets meer is wat het ooit leek, de hegemonie van Amerika en Europa verkruimelt en de Chinezen de grootste investeerders zijn in Afrika, het snelst groeiende continent, is het goed om terug te kijken naar die Koude Oorlog. Dat vindt Charles Esche, directeur van het Van Abbemuseum in Eindhoven. Misschien is het nog te vroeg om een definitief oordeel te vellen over die periode, zegt hij, maar één ding is zeker: dat zwart-witbeeld van het ‘open’ Westen en het ‘gesloten’ Oosten behoeft nuancering. Er waren op zijn minst ook grijstinten. Bepaalde kunstenaars zijn ten onrechte niet in de traditionele canon opgenomen. En wat er in het Oostblok gebeurde, was niet zo wezensvreemd van het Westen als we wel dachten.
De tentoonstelling ‘Spirits of Internationalism’ probeert het beeld bij te stellen. Het bijzondere van de expositie is dat zij in twee musea tegelijkertijd plaatsvindt: in het Van Abbe en in het Museum voor Hedendaagse Kunst Antwerpen (M HKA). Op de handzame bezoekersgids die voor €1 te koop is, staan de plattegronden van beide musea tegen elkaar aan, alsof je van een zaal in Antwerpen zó kunt overlopen naar een zaal met vergelijkbare kunstenaars in Eindhoven.
Nog op een andere manier is de tentoonstelling grensoverschrijdend: ze is het resultaat van samenwerking tussen vier musea en twee kunstenaarsarchieven in zes Europese landen: Van Abbe, M HKA, MACBA in Barcelona, Moderna Galerija in Ljubljana, de Július Koller Society in Bratislava en het KwieKulik Archief in Warschau. De zes regionale instellingen willen niet het volgende internationale museummerk vormen zoals de Hermitage of Guggenheim dat zijn, maar ze zeggen wel te streven naar een gezamenlijke ‘Collectie Europa’.
De kunst in Spirits komt uit alle zes collecties. Maar laten we eerlijk zijn: verreweg de meeste én de beroemdste stukken komen uit de collectie van het Van Abbe, dat juist uit deze periode de top in huis heeft, althans volgens de canon. Wie deze lievelingen uit Eindhoven — Donald Judd, Carl Andre, On Kawara, Anselm Kiefer, Andy Warhol, Jörg Immendorff, om er een paar te noemen — al kent, hoeft niet af te reizen naar Antwerpen. Of het moet zijn om te zien hoe geweldig ze daar hangen. De schilderijenreeks van Immendorff heeft de wand voor zich alleen.
Voor Antwerpen is het een buitenkans, vertelt Bart De Baere, directeur van het M HKA, want het museum bezit zelf geen (buitenlandse) kunst van dit kaliber. ‘Had Vlaanderen destijds maar beter opgelet, zou ik bijna zeggen. Maar er bestond hier toen geen instelling voor hedendaagse kunst, Nederlandse musea waren in die tijd leidend. Er hangen hier werken die ondertussen onbetaalbaar zijn geworden.’
Toch is er één werkje in het M HKA dat de reis waard maakt: Fallen Astronaut van Paul Van Hoeydonck. Een menneke van aluminium. Van Hoeydonck (1925), die zijn hele leven al gefascineerd is door het heelal en ruimtevaart, heeft het in 1970 meegegeven aan astronauten van de Apollo 15. Zij hebben het op de maan achtergelaten als eerbetoon aan in de ruimte omgekomen collega’s (ook die uit het Oostblok).
Een aardiger voorbeeld van Koude Oorlogkunst is er bijna niet. Van Hoeydonck had nog twee exemplaren van het beeldje dat hij in een editie van twintig had laten gieten, en één daarvan heeft hij bij de opening van de tentoonstelling aan het museum geschonken. Hij hoopt op wat meer erkenning voor dit enige kunstwerk dat de aarde heeft verlaten. ‘Als men vandaag over ruimtevaart in België spreekt, dan wordt daar altijd die stomme rood-witte raket van Kuifje bijgezet. Zou men in ons vaderlandje niet een beetje trotser kunnen zijn op mijn Fallen Astronaut?’
Naar Eindhoven moeten we juist om werk te zien dat we nog níet kennen. Kunst kan iets zeggen over een bepaald tijdperk zonder dat dit bewust de bedoeling is. In Polen is KwieKulik beroemd, de kunstenaarsnaam van het Poolse echtpaar Zofia Kulik en Przemyslaw Kwiek. Tussen 1972 en 1974 maakten ze foto’s van hun pasgeboren zoon Dobromierz, thuis en als ze met hem aan de wandel waren. Zo op het oog lijkt de diaserie Activiteiten met Dobromierz een stel kiekjes uit het dagelijks leven, over een dreumes met gouden lokjes. Maar als het ventje in een rode doek wordt gewikkeld en in een kale kamer wordt gelegd met een wrattige mandarijn op zijn kop, dan is het opeens een aanklacht geworden tegen het leven onder het communisme. Tenminste, anno 2012 lijkt dat zo.
Volkomen terecht vult de Vlaamse Panamarenko (alias van Henri Van Herwegen, 1940) in Eindhoven een hele zaal en de hal. Panamarenko’s universum komt voort uit Koude Oorlog-obsessies, zoals blijkt uit zijn schetsen voor een ‘rugzakvliegtuig’ en andere utopische machines. Het atelier van Panamarenko is nagebouwd, compleet met propellers, rotorbladen, een sovjetpet, modellen van raketten, een vogelkooi, knalpijpen, kistjes, kastjes, olielampen, slijptollen, sigaretten en een drukcilinder voor vloeibaar helium. Aan de muur hangt een ontroerend briefje van zijn hand: ‘Het komt heus wel eens in orde, fax me niet zoveel.’
Een van de doelstellingen van de tentoonstelling is om kunstenaars te presenteren van wie we nu het belang inzien, maar die tussen 1956 en 1986 buiten de boot vielen. Bijvoorbeeld omdat ze teksten gebruikten die de toenmalige kunstgoeroes niet konden lezen, Marcel Broothaers bijvoorbeeld, of Jörg Immendorff. Of omdat ze om een andere reden niet werden opgemerkt, zoals Gego (Gertrude Goldschmidt) die voor de Tweede Wereldoorlog naar Venezuela vluchtte, of de Vlaming Toon Tersas, die autodidact was. Van hem hangen in Eindhoven verrassende Portretten uit de Koude Oorlog uit 1968. ‘Het is niet zo dat wij nieuwe kunstenaars ontdekken. We hoeven niet op zoek te gaan naar een nieuwe Donald Judd’, zegt Esche. ‘De tijd dat er één verhaal verteld werd in de kunst komt niet meer terug.’
Niet al het werk op Spirits is zo toegankelijk, maar dat zijn we van het Van Abbe gewend. Esche: ‘Er zijn instellingen in de wereld die alleen maar bezig zijn om het verhaal van het publiek te bevestigen. “Picasso is een heel belangrijk kunstenaar uit de 20ste eeuw”. Daar is niets mis mee, maar als je als museum de geschiedenis probeert te herschrijven, is dat altijd moeilijker.’
De ‘Prova Car’ van Panamarenko uit 1967 staat in de hal van het Van Abbemuseum.
‘Schaduw van een buitenaards wezen’ van Byars (1979). In Eindhoven liggen de lange benen van stof in elkaar gefrommeld.
Kunst uit de Koude OorlogDe wereld was een heel overzichtelijk tussen 1956 en 1986. Je had de eerste, de tweede en de derde wereld, waarbij ‘wij’ bij de eerste hoorden, de belangrijkste, en ‘zij’ van de tweede, onze vijanden, opgesloten zaten achter een ijzeren gordijn. De derde deed helemaal niet mee.Wat betreft de kunst lagen de zaken ook eenvoudig: Amerika was het gidsland en de verhalende schilderkunst was dood. Leve de conceptuele kunst, de performance en het minimalisme. Generaties kunsthistorici leerden het zo. Musea wisten precies wat ze moesten verzamelen.In een tijd dat niets meer is wat het ooit leek, de hegemonie van Amerika en Europa verkruimelt en de Chinezen de grootste investeerders zijn in Afrika, het snelst groeiende continent, is het goed om terug te kijken naar die Koude Oorlog. Dat vindt Charles Esche, directeur van het Van Abbemuseum in Eindhoven. Misschien is het nog te vroeg om een definitief oordeel te vellen over die periode, zegt hij, maar één ding is zeker: dat zwart-witbeeld van het ‘open’ Westen en het ‘gesloten’ Oosten behoeft nuancering. Er waren op zijn minst ook grijstinten. Bepaalde kunstenaars zijn ten onrechte niet in de traditionele canon opgenomen. En wat er in het Oostblok gebeurde, was niet zo wezensvreemd van het Westen als we wel dachten.De tentoonstelling ‘Spirits of Internationalism’ probeert het beeld bij te stellen. Het bijzondere van de expositie is dat zij in twee musea tegelijkertijd plaatsvindt: in het Van Abbe en in het Museum voor Hedendaagse Kunst Antwerpen (M HKA). Op de handzame bezoekersgids die voor €1 te koop is, staan de plattegronden van beide musea tegen elkaar aan, alsof je van een zaal in Antwerpen zó kunt overlopen naar een zaal met vergelijkbare kunstenaars in Eindhoven.Nog op een andere manier is de tentoonstelling grensoverschrijdend: ze is het resultaat van samenwerking tussen vier musea en twee kunstenaarsarchieven in zes Europese landen: Van Abbe, M HKA, MACBA in Barcelona, Moderna Galerija in Ljubljana, de Július Koller Society in Bratislava en het KwieKulik Archief in Warschau. De zes regionale instellingen willen niet het volgende internationale museummerk vormen zoals de Hermitage of Guggenheim dat zijn, maar ze zeggen wel te streven naar een gezamenlijke ‘Collectie Europa’.De kunst in Spirits komt uit alle zes collecties. Maar laten we eerlijk zijn: verreweg de meeste én de beroemdste stukken komen uit de collectie van het Van Abbe, dat juist uit deze periode de top in huis heeft, althans volgens de canon. Wie deze lievelingen uit Eindhoven — Donald Judd, Carl Andre, On Kawara, Anselm Kiefer, Andy Warhol, Jörg Immendorff, om er een paar te noemen — al kent, hoeft niet af te reizen naar Antwerpen. Of het moet zijn om te zien hoe geweldig ze daar hangen. De schilderijenreeks van Immendorff heeft de wand voor zich alleen.Rood-witte raketVoor Antwerpen is het een buitenkans, vertelt Bart De Baere, directeur van het M HKA, want het museum bezit zelf geen (buitenlandse) kunst van dit kaliber. ‘Had Vlaanderen destijds maar beter opgelet, zou ik bijna zeggen. Maar er bestond hier toen geen instelling voor hedendaagse kunst, Nederlandse musea waren in die tijd leidend. Er hangen hier werken die ondertussen onbetaalbaar zijn geworden.’Toch is er één werkje in het M HKA dat de reis waard maakt: Fallen Astronaut van Paul Van Hoeydonck. Een menneke van aluminium. Van Hoeydonck (1925), die zijn hele leven al gefascineerd is door het heelal en ruimtevaart, heeft het in 1970 meegegeven aan astronauten van de Apollo 15. Zij hebben het op de maan achtergelaten als eerbetoon aan in de ruimte omgekomen collega’s (ook die uit het Oostblok).Een aardiger voorbeeld van Koude Oorlogkunst is er bijna niet. Van Hoeydonck had nog twee exemplaren van het beeldje dat hij in een editie van twintig had laten gieten, en één daarvan heeft hij bij de opening van de tentoonstelling aan het museum geschonken. Hij hoopt op wat meer erkenning voor dit enige kunstwerk dat de aarde heeft verlaten. ‘Als men vandaag over ruimtevaart in België spreekt, dan wordt daar altijd die stomme rood-witte raket van Kuifje bijgezet. Zou men in ons vaderlandje niet een beetje trotser kunnen zijn op mijn Fallen Astronaut?’Naar Eindhoven moeten we juist om werk te zien dat we nog níet kennen. Kunst kan iets zeggen over een bepaald tijdperk zonder dat dit bewust de bedoeling is. In Polen is KwieKulik beroemd, de kunstenaarsnaam van het Poolse echtpaar Zofia Kulik en Przemyslaw Kwiek. Tussen 1972 en 1974 maakten ze foto’s van hun pasgeboren zoon Dobromierz, thuis en als ze met hem aan de wandel waren. Zo op het oog lijkt de diaserie Activiteiten met Dobromierz een stel kiekjes uit het dagelijks leven, over een dreumes met gouden lokjes. Maar als het ventje in een rode doek wordt gewikkeld en in een kale kamer wordt gelegd met een wrattige mandarijn op zijn kop, dan is het opeens een aanklacht geworden tegen het leven onder het communisme. Tenminste, anno 2012 lijkt dat zo.Volkomen terecht vult de Vlaamse Panamarenko (alias van Henri Van Herwegen, 1940) in Eindhoven een hele zaal en de hal. Panamarenko’s universum komt voort uit Koude Oorlog-obsessies, zoals blijkt uit zijn schetsen voor een ‘rugzakvliegtuig’ en andere utopische machines. Het atelier van Panamarenko is nagebouwd, compleet met propellers, rotorbladen, een sovjetpet, modellen van raketten, een vogelkooi, knalpijpen, kistjes, kastjes, olielampen, slijptollen, sigaretten en een drukcilinder voor vloeibaar helium. Aan de muur hangt een ontroerend briefje van zijn hand: ‘Het komt heus wel eens in orde, fax me niet zoveel.’Een van de doelstellingen van de tentoonstelling is om kunstenaars te presenteren van wie we nu het belang inzien, maar die tussen 1956 en 1986 buiten de boot vielen. Bijvoorbeeld omdat ze teksten gebruikten die de toenmalige kunstgoeroes niet konden lezen, Marcel Broothaers bijvoorbeeld, of Jörg Immendorff. Of omdat ze om een andere reden niet werden opgemerkt, zoals Gego (Gertrude Goldschmidt) die voor de Tweede Wereldoorlog naar Venezuela vluchtte, of de Vlaming Toon Tersas, die autodidact was. Van hem hangen in Eindhoven verrassende Portretten uit de Koude Oorlog uit 1968. ‘Het is niet zo dat wij nieuwe kunstenaars ontdekken. We hoeven niet op zoek te gaan naar een nieuwe Donald Judd’, zegt Esche. ‘De tijd dat er één verhaal verteld werd in de kunst komt niet meer terug.’Niet al het werk op Spirits is zo toegankelijk, maar dat zijn we van het Van Abbe gewend. Esche: ‘Er zijn instellingen in de wereld die alleen maar bezig zijn om het verhaal van het publiek te bevestigen. “Picasso is een heel belangrijk kunstenaar uit de 20ste eeuw”. Daar is niets mis mee, maar als je als museum de geschiedenis probeert te herschrijven, is dat altijd moeilijker.’De ‘Prova Car’ van Panamarenko uit 1967 staat in de hal van het Van Abbemuseum.‘Schaduw van een buitenaards wezen’ van Byars (1979). In Eindhoven liggen de lange benen van stof in elkaar gefrommeld.
‘Mapa d’Europa’ van Pere Noguera (1979). De bodem ligt ditmaal bóven de grenzen.
De wereld was een heel overzichtelijk tussen 1956 en 1986. Je had de eerste, de tweede en de derde wereld, waarbij ‘wij’ bij de eerste hoorden, de belangrijkste, en ‘zij’ van de tweede, onze vijanden, opgesloten zaten achter een ijzeren gordijn. De derde deed helemaal niet mee.
Het zwart-witbeeld van het ‘open’ Westen en het ‘gesloten’ Oosten behoeft nuancering
Aan de muur hangt een briefje van Panamarenko: ‘Het komt heus wel eens in orde, fax me niet zoveel’
Zes Europese collecties 1956-1986 is t/m 29 april te zien in het Van Abbemuseum in Eindhoven (vanabbemuseum.nl) en t/m 6 mei in het M HKA in Antwerpen (muhka.be).