Door Anne Berk
Kunst is er om de mens aan zichzelf te openbaren, vindt Henk Visch. Kunsthal Kade in Amersfoort toont zijn poëtische beelden en tekeningen.
Als je van het station komt aangelopen, zie je een enorm bronzen been dat tot aan de dakrand reikt. Een reuzenbeen, dat met zijn tenen naar de ingang wijst, alsof het de Kunsthal wil binnengaan. Esthetisch is het niet. Niet vrouwelijk en sexy, niet mannelijk en gespierd. Henk Visch (1950) maalt niet om anatomie of uiterlijkheden. Het is geen afbeelding van een been, maar het idee van een been, of wellicht een metafoor voor het staan. Want waarom hebben we benen? Om op te staan en ons in de wereld te verplaatsen. Benen zijn heel concreet het fundament onder ons leven. En het is vast geen toeval dat de lichamelijke ervaring van het staan is terug te vinden in het woord ‘bestaan’. Het lichaam druk zijn stempel op ons zien, zegt Visch. Is dit been daarom zo groot? Is dit een monument voor het menselijk bestaan? Een viering van het leven?
Maar daar krijg je geen antwoord op. Henk Visch stelt zich op als sfinx die een raadsel opgeeft. ‘Ik kan jouw interpretatie bevestigen noch ontkennen. De tentoonstelling is het zwembad, ik ben slechts de badmeester’, zegt Visch cryptisch. ‘Bij mij draait alles om het maken. Daarna komt de presentatie, dat is de sociale dimensie van het kunstenaarschap. Een tentoonstelling is een feest! In de relatie met de kijker krijgt het beeld betekenis. Ik bepaal wat de toeschouwer ziet, niet hoe hij dat interpreteert. En dat kan alles zijn.’
De tentoonstelling omspant 35 jaar, maar is niet chronologisch opgezet. Er opent zich een landschap der verbeelding, met een mooie afwisseling tussen tekeningen en beelden, tussen mensfiguren en kleurige structuren die eruitzien als abstracte constructies, maar het niet zijn. There are some among us who think life is but a joke uit 1989 is de lichtvoetige titel van een reeks aluminium schijven. En een golvende gekleurde buisconstructie heet I was a mountain (2007). Je kunt het zien als een uitnodiging om je te vereenzelvigen met een berg.
Taal is een wezenlijk bestanddeel van deze sculpturen, waarmee het fysieke object een sprong maakt naar de verbeelding van de kijker. Dat was eind jaren zeventig ongebruikelijk. De modernistische zoektocht naar de essentie mondde in de 20ste eeuw uit in de minimal art. Nadat kunst eeuwenlang was misbruikt om politieke, religieuze of commerciële boodschappen in te verpakken, hoefde het kunstwerk eindelijk geen verhaal meer te vertellen. Deze abstracte, ‘autonome’ kunst was vrij, louter vorm en materiaal. Toen ook dat een dogma werd, was Visch een van de eerste Nederlandse beeldhouwers die weer voor de mensfiguur kozen, maar ook hij wil geen boodschap opleggen. Kunst is vrij, een spiegel voor de kijker.
Visch gebruikt geen sokkels. Zijn beelden en figuren staan op gelijke voet met de kijker. Hun tastbare vorm of lichaam spreekt tot ons lichaam, zoals ook de wereld spreekt tot het lichaam van de kunstenaar. Daarin ligt de sleutel tot het begrijpen van zijn werk.
Visch was een ongedurig jongetje. ‘Ik vocht altijd en ik was een fanatieke honkballer. En ik speelde viool. De emotionele beleving van de wereld in de muziek was heel belangrijk.’ Als kind wilde Visch dirigent worden, daarna toneelspeler. Na de academie vertrok hij in 1979 naar New York en maakte lange nachtelijke wandelingen. Eindelijk wist hij wat hij wilde: ‘Grote dingen maken, tastbare dingen.’ Zijn eerste beeld was een houten figuur op één been, met de veelzeggende titel Aankomen.
De figuren van Visch staan, gaan, zoeken hun balans, of geven zich over. Ze gebaren naar ons. De knielende circusartiest kun je opvatten als het alter ego van Henk Visch zelf. De Young man with a future omarmt het leven. Het beeld Lonely feelings on landing grijpt naar zijn hart en lijkt overgeleverd aan het sterven. De Undocumented resident aliens (U.R.A) hangen rond. Klein, armloos en machteloos.
Op de muur van de tentoonstelling heeft Visch zijn open handpalmen geschilderd. ‘Kijk, ik houd mijn handen omhoog. Ik houd geen pistool vast. Ik groet.’ Diezelfde houding komt terug in een aangrijpende animatie (zonder titel). De kunstenaar houdt zijn handen omhoog, terwijl er een kogel op hem wordt afgevuurd, traag maar onafwendbaar. De kogel treft doel. Belandt in zijn oog, wordt een pupil en verandert de kunstenaar in een ziener.
Als je van het station komt aangelopen, zie je een enorm bronzen been dat tot aan de dakrand reikt. Een reuzenbeen, dat met zijn tenen naar de ingang wijst, alsof het de Kunsthal wil binnengaan. Esthetisch is het niet. Niet vrouwelijk en sexy, niet mannelijk en gespierd. Henk Visch (1950) maalt niet om anatomie of uiterlijkheden. Het is geen afbeelding van een been, maar het idee van een been, of wellicht een metafoor voor het staan. Want waarom hebben we benen? Om op te staan en ons in de wereld te verplaatsen. Benen zijn heel concreet het fundament onder ons leven. En het is vast geen toeval dat de lichamelijke ervaring van het staan is terug te vinden in het woord ‘bestaan’. Het lichaam druk zijn stempel op ons zien, zegt Visch. Is dit been daarom zo groot? Is dit een monument voor het menselijk bestaan? Een viering van het leven?Maar daar krijg je geen antwoord op. Henk Visch stelt zich op als sfinx die een raadsel opgeeft. ‘Ik kan jouw interpretatie bevestigen noch ontkennen. De tentoonstelling is het zwembad, ik ben slechts de badmeester’, zegt Visch cryptisch. ‘Bij mij draait alles om het maken. Daarna komt de presentatie, dat is de sociale dimensie van het kunstenaarschap. Een tentoonstelling is een feest! In de relatie met de kijker krijgt het beeld betekenis. Ik bepaal wat de toeschouwer ziet, niet hoe hij dat interpreteert. En dat kan alles zijn.’De tentoonstelling omspant 35 jaar, maar is niet chronologisch opgezet. Er opent zich een landschap der verbeelding, met een mooie afwisseling tussen tekeningen en beelden, tussen mensfiguren en kleurige structuren die eruitzien als abstracte constructies, maar het niet zijn. There are some among us who think life is but a joke uit 1989 is de lichtvoetige titel van een reeks aluminium schijven. En een golvende gekleurde buisconstructie heet I was a mountain (2007). Je kunt het zien als een uitnodiging om je te vereenzelvigen met een berg.Taal is een wezenlijk bestanddeel van deze sculpturen, waarmee het fysieke object een sprong maakt naar de verbeelding van de kijker. Dat was eind jaren zeventig ongebruikelijk. De modernistische zoektocht naar de essentie mondde in de 20ste eeuw uit in de minimal art. Nadat kunst eeuwenlang was misbruikt om politieke, religieuze of commerciële boodschappen in te verpakken, hoefde het kunstwerk eindelijk geen verhaal meer te vertellen. Deze abstracte, ‘autonome’ kunst was vrij, louter vorm en materiaal. Toen ook dat een dogma werd, was Visch een van de eerste Nederlandse beeldhouwers die weer voor de mensfiguur kozen, maar ook hij wil geen boodschap opleggen. Kunst is vrij, een spiegel voor de kijker.OngedurigVisch gebruikt geen sokkels. Zijn beelden en figuren staan op gelijke voet met de kijker. Hun tastbare vorm of lichaam spreekt tot ons lichaam, zoals ook de wereld spreekt tot het lichaam van de kunstenaar. Daarin ligt de sleutel tot het begrijpen van zijn werk.Visch was een ongedurig jongetje. ‘Ik vocht altijd en ik was een fanatieke honkballer. En ik speelde viool. De emotionele beleving van de wereld in de muziek was heel belangrijk.’ Als kind wilde Visch dirigent worden, daarna toneelspeler. Na de academie vertrok hij in 1979 naar New York en maakte lange nachtelijke wandelingen. Eindelijk wist hij wat hij wilde: ‘Grote dingen maken, tastbare dingen.’ Zijn eerste beeld was een houten figuur op één been, met de veelzeggende titel Aankomen.De figuren van Visch staan, gaan, zoeken hun balans, of geven zich over. Ze gebaren naar ons. De knielende circusartiest kun je opvatten als het alter ego van Henk Visch zelf. De Young man with a future omarmt het leven. Het beeld Lonely feelings on landing grijpt naar zijn hart en lijkt overgeleverd aan het sterven. De Undocumented resident aliens (U.R.A) hangen rond. Klein, armloos en machteloos.Op de muur van de tentoonstelling heeft Visch zijn open handpalmen geschilderd. ‘Kijk, ik houd mijn handen omhoog. Ik houd geen pistool vast. Ik groet.’ Diezelfde houding komt terug in een aangrijpende animatie (zonder titel). De kunstenaar houdt zijn handen omhoog, terwijl er een kogel op hem wordt afgevuurd, traag maar onafwendbaar. De kogel treft doel. Belandt in zijn oog, wordt een pupil en verandert de kunstenaar in een ziener.
‘Young manwith a future’van Henk Vischuit 2008.
Als je van het station komt aangelopen, zie je een enorm bronzen been dat tot aan de dakrand reikt. Een reuzenbeen, dat met zijn tenen naar de ingang wijst, alsof het de Kunsthal wil binnengaan. Esthetisch is het niet. Niet vrouwelijk en sexy, niet mannelijk en gespierd. Henk Visch (1950) maalt niet om anatomie of uiterlijkheden. Het is geen afbeelding van een been, maar het idee van een been, of wellicht een metafoor voor het staan. Want waarom hebben we benen? Om op te staan en ons in de wereld te verplaatsen. Benen zijn heel concreet het fundament onder ons leven. En het is vast geen toeval dat de lichamelijke ervaring van het staan is terug te vinden in het woord ‘bestaan’. Het lichaam druk zijn stempel op ons zien, zegt Visch. Is dit been daarom zo groot? Is dit een monument voor het menselijk bestaan? Een viering van het leven?
Visch wil geen boodschap opleggen. Kunst is vrij, een spiegel voor de kijker
‘Henk Visch: solotentoonstelling’ is t/m 6 mei te zien in Kade in Amersfoort, kunsthalkade.nl.