Jaap Goedegebuure
‘Blindgangers’ van Joke Hermsen is getoonzet als zedenkomedie, maar eindigt helaas als tranentrekker
Filosofe en letterkundige Joke Hermsen (1961) schrijft romans, historische romans
en essays.
Omstreeks het vijftigste levensjaar neemt de neiging toe om wat meer in de achteruitkijkspiegel te kijken. Joke Hermsen, jaargang 1961, besteedt in haar roman Blindgangers dat terugblikken uit aan een stel vrienden, die allemaal wel iets met haar delen. Ze studeerden wijsbegeerte aan de Universiteit van Amsterdam, wisten hun wetenschappelijke loopbaan helaas niet te bekronen met een professoraat, hebben een huwelijk zien stranden en stellen met spijt vast dat alles waar ze een kwarteeuw geleden heilig in geloofden, compleet is verdampt. Hun idealisme heeft plaatsgemaakt voor nihilisme, materialisme en hedonisme. Tijdens de steeds schaarsere ontmoetingen wordt alleen nog over koetjes, kalfjes, kinderen, hypotheken en andere trivialiteiten gesproken.
Het verhaal speelt zich af tijdens een onverwacht besneeuwd weekend in de vroege winter. De vrienden gaan in het Drentse buitenhuis van een hunner het zilveren jubileum van het dispuut Nil desperandum vieren. Echtgenoten, een enkele ex, een inmiddels aangewaaide partner en een paar nakomelingen mogen mee.
Het gezelschap brengt niet alleen de mooie herinneringen mee naar Drenthe, maar ook kopzorgen als een proefschrift dat maar niet afkomt, een geld- en energieverslindende vechtscheiding, moeilijk in het gareel te houden pubers, en zo meer. Bij sommigen spelen stress, onderlinge naijver en rancune zo hoog op dat er diverse tijdbommen onder het gezellig samenzijn tikken. Die gaan aan het einde dan ook met veel geraas en geknetter af.