Hans Verbraeken en Nelleke Trappenburg
De ‘affaire-Vestia’ is tot nu toe de meest aansprekende illustratie van het al jaren bestaande versnipperde en moeizame toezicht op de corporatiesector.
Amsterdam
Hoe is het mogelijk dat toezichthouders op de woningcorporaties de nu afgetreden Vestia-topman Erik Staal zijn gang hebben laten gaan met diens omstreden derivatencontracten? En met gifpillen daarin, die ingrijpen van buitenaf door de toezichthouders onmogelijk maken. Op straffe van een enorme financiële schade voor Vestia. Banken zouden dan immers de derivatencontracten kunnen opeisen.
Het lijkt erop dat het toezicht op de sector onvoldoende gelijke tred heeft gehouden met de ontwikkelingen in de sector. Toezicht en regelgeving lijken de afgelopen decennia vooral achter die ondernemingslust van corporatiedirecteuren te hebben aangehobbeld. De verwevenheid van financiële en volkshuisvestelijke belangen bracht een kluwen aan toezichthouders met zich mee, met een gebrekkig instrumentarium, en die ook nog eens niet soepel samenwerkten.
De noodzaak tot strak toezicht ontstond pas na de financiële verzelfstandiging van de corporaties in 1995. Maar een overheidsreglement moest de corporatiedirecteuren bij de les houden: huisvesting voor de minder draagkrachtigen.
Sindsdien werd een aantal corporatiedirecteuren almaar meer vastgoedondernemer, soms aangemoedigd door wethouders die corporaties graag als pinautomaat gebruikten voor grootse vastgoedplannen. Hier en daar met te veel risico en te weinig risicomanagement.
Zo moeten bij Vestia zeker vier externe toezichthouders de gang van zaken in de gaten houden, te weten accountant KMPG, het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW), het Centraal Fonds Volkshuisvesting (CFV) en het ministerie van Binnenlandse Zaken.
Dat is misgegaan. Vooral WSW, dat corporaties goedkoop in staat stelt goed, heeft boter op het hoofd. WSW heeft de contracten van Vestia ofwel niet gezien, of de implicaties van de contracten onderschat. In beide gevallen is dat ernstig. Het fonds, een onafhankelijke stichting met een triple-A-status, verstrekt garanties aan de financiers van corporaties. Het moet waken over de kasstromen van de corporaties.
Dan natuurlijk het ministerie van Binnenlandse Zaken en het CFV. Het ministerie ziet toe op de huisvestingsprestaties van de corporaties en op de rechtmatigheid van hun activiteiten. Het stuurt het CFV aan dat de financiële continuïteit — het vermogen — van de woningcorporaties controleert. Met horten en stoten.
Zo klaagde het CFV eind 2008 over het gebrek aan zicht op de dochter-bv’s van woningcorporaties met hun vastgoedactiviteiten. Een niet onbelangrijke bron van risico. Het CFV is een zelfstandig bestuursorgaan, met te weinig tanden, dat nu van de minister moet zwijgen.
Maar CFV-directeur Jan van der Moolen bijt van zich af. ‘Het is te gemakkelijk om te zeggen dat toezicht faalt. Toezicht is ook afhankelijk van politiek. We hebben in een rapport in 2002 de hele thematiek rond treasury en derivaten uiteengezet en gepleit voor striktere regels’, zei hij eergisteren tijdens een congres in Rotterdam. ‘Maar de politiek heeft dat in 2003 van tafel geveegd, omdat dergelijke regels in strijd zouden zijn met de bewegingsvrijheid van woningcorporaties.
Aangemoedigd door wethouders werden sommige directeuren steeds meer vastgoedondernemer
Volgens de directeur van CFV veegde de politiek in 2003 een advies over striktere regels van tafel
De gevel van de Zuiderster, een ‘markant’ gebouw van Vestia in de Afrikaanderwijk in Rotterdam. De woningen zijn gereserveerd voor jongeren die in de buurt werken.
Foto: Mirjam van der Hoek