Dit voorbeeld tekent de administratiegekte waar het onderwijs onder lijdt. Ieder jaar verzamelen de ruim zevenduizend lagere scholen eindeloos veel gegevens, waarvan een groot deel door gaat naar stichtingsbesturen, inspecties, medezeggenschapsraden en beleidsambtenaren in gemeenten en in Den Haag.
Gebrek aan vertrouwen
Herman Tjeenk Willink, de net afgetreden vicepresident van de Raad van State, noemde dit onlangs een van zijn grote zorgpunten: de overheid zet alles op afstand, maar gaat het vervolgens eindeloos controleren. Er is een gebrek aan vertrouwen in de professionals en bij elk incident laat Den Haag weer nieuwe regels op de hele groep los, of het nu om agenten gaat, ziekenverzorgers, onderwijzers of de inspectiediensten. Van het inmiddels zo’n tien jaar oude Haagse credo dat er op allerlei fronten regels moeten worden geschrapt, wordt per saldo niets gemerkt. Integendeel, de controledrift vertaalt zich in eindeloos veel voorschriften en registraties, wat nieuwe bestuurslagen vergt die op hun beurt weer overal hun plasje over doen.
De overheid denkt te weten door te meten. Denkt, want een rondgang langs het basisonderwijs leert dat er niet alleen onzinnig veel wordt geregistreerd, maar dat de registraties allerlei onvolkomenheden bevatten, juist ook omdat ze als onzinnig worden ervaren. Naast de bekende paarse krokodil ontstaat er ook nog een papieren werkelijkheid.
Schrobbering
Zo moet elke lagere school om te beginnen al minstens twintig ‘beleidsdocumenten’ produceren, waarvan de meeste jaarlijks worden aangepast. Dat gaat van begroting tot jaarrekening en van schoolgids tot zorgplan. In het schoolveiligheidsplan wordt bijvoorbeeld beschreven wat er moet gebeuren bij een calamiteit. De school die dit niet heeft vastgelegd, krijgt een schrobbering van de inspectie. Dat het bijvoorbeeld bij een ontruiming om rustige onderwijzers met gezond verstand draait, en niet om een plan, is bijzaak. Als het plan er maar ligt, dan voldoet de school aan de eisen van de inspectie.
Een van de bewerkelijke stukken is het verslag van de arbeids- en rusttijdenregeling. Voor iedere onderwijzer moet elk uur, zelfs ieder kwartier, worden verantwoord. Het aantal rubrieken telt soms op tot tachtig waarover hij zijn aandacht kan verdelen. Voor bijvoorbeeld deelname aan de medezeggenschapsraad wordt echter een standaard aantal uren ingeboekt, dus houdt iedereen elkaar weer voor de gek. Ook letterlijk elke uitgegeven euro moet worden verantwoord, waarbij er tientallen codes zijn om de uitgaven te rubriceren. Sommige directeuren besteden dit monnikenwerk uit, velen doen het zelf.
'Leeropbrengsten'
Aan de inspectie en het bovenschoolse bestuur — waar bijvoorbeeld twintig scholen onder vallen — moet iedere directeur rapporteren wat de ‘leeropbrengsten’ zijn. Dat zijn de resultaten, de leerwinst, de zorgleerlingen, de doorstroming en het vervolgonderwijs. Nuttige informatie, maar het vergaren van alle data is tijdrovend. Om te weten of het taal- of rekenonderwijs in bepaalde leeftijdsgroepen op een school achterblijft, volstaat ook een periodieke eenvoudige test.
Het advies voor vervolgonderwijs wordt geëvalueerd op basis van gegevens van de middelbare school, maar het kind is dan uit beeld. Zijn zijn ouders inmiddels gescheiden, is hij verhuisd, gebruikt hij drugs? Dat kan zijn prestaties beïnvloeden en dan wordt dus de verkeerde analyse gemaakt over het schooladvies. Overigens maakt ongeveer één leerling per klas het advies niet waar en één leerling blijkt eigenlijk meer te kunnen. Een beschaafde score die al jaren vrij constant is. Dan is de vraag op zijn plaats of er eenvoudiger en minder frequent gecontroleerd kan worden.
Verdoezelen
Iedere overkoepelende ‘stichting’ meldt Den Haag het gemiddeld aantal leerlingen van de pakweg twintig aangesloten scholen. Dat middelen mag van de minister, hoewel zo wel wordt verdoezeld dat er bijvoorbeeld drie scholen zijn die eigenlijk te weinig leerlingen hebben, maar wel een dure directeur en lege lokalen. Hierdoor schommelen de kosten per leerling binnen een stichting tussen € 3000 en meer dan € 5000 per jaar. De school van ruim € 5000 per leerling zou natuurlijk dicht moeten, maar buiten de stichting is er niemand die dat ziet.
De minister en de Kamer houden zichzelf nog op een andere manier voor het lapje. Een school kan kiezen voor bijvoorbeeld twaalf onderwijzers en twee onderwijsassistenten, of voor acht onderwijzers en zes onderwijsassistenten. In het eerste geval zitten er gemiddeld minder leerlingen in iedere klas, want er zijn meer onderwijzers. Maar de ‘probleemgevallen’ krijgen bij de eerste school minder aandacht, want er zijn maar twee in plaats van zes assistenten. Met andere woorden: kleinere klassen wil helemaal niet zeggen dat de leerlingen meer aandacht krijgen.
Wantrouwen
Zo gaat het maar door. Het is verstandig om alle materialen in de gymzaal jaarlijks door een onafhankelijke instantie te laten keuren, om ingedekt te zijn tegen claims. Directeuren kunnen uren druk zijn met het aanvragen van, en vooral verantwoording afleggen over subsidies van gemeenten, Rijk en Europa. Pure werkverschaffing aan beide zijden. ‘Gooi alles in één pot en noem het budget’, luidt de verzuchting uit het onderwijs.
Het wantrouwen in de docenten blijkt ook uit een betrekkelijk nieuw fenomeen. Gemeenten huren een duur bureau in van ex-onderwijzers die de leerlingen komen voorbereiden op de middelbare school. De directeur kan best zeggen: ‘Niet nodig’, maar dan ontstaat er druk van de ouders: ‘Waarom weiger je dat, het is gratis.’ Voor de school is het inderdaad gratis, maar voor de gemeenschap is het een overbodige, kostbare aangelegenheid.
Regeldruk
Sinds een paar jaar ligt er in Den Haag een prachtig rapport van de parlementaire onderzoekscommissie onderwijsvernieuwing: de commissie-Dijsselbloem, vernoemd naar het Kamerlid van de PvdA. De salariëring moest beter, de bureaucratie moest omlaag en er moest weer meer verantwoordelijkheid bij de onderwijzer en de school komen te liggen. Dat plan ligt volgens onderwijzers inmiddels ernstig te verstoffen.
Het ministerie van Onderwijs is al een jaar of zeven druk met het terugdringen van de regeldruk. Dit maakt het hele verhaal nog schrijnender. Volgens Actal, de officiële ontregelaar in Nederland, is er veel controle omdat het om belastinggeld gaat. Actal spreekt van de autonomieparadox. Naarmate een school meer verantwoordelijkheden krijgt en dus meer vrijheid, nemen de controles toe. De onderwijsscores geven overigens helemaal geen aanleiding tot dit controlebombardement. Nederland staat hoog op ranglijsten en er gaan meer en meer jongeren door in het hbo of naar de universiteit.
Overspannen controledrift
De gegeven voorbeelden staven het gelijk van Tjeenk Willink: overspannen controledrift en wantrouwen leiden tot kafkaëske taferelen, en dan is in dit artikel alleen nog maar het basisonderwijs uitgebeend.
Bestuurders moeten zich realiseren dat wantrouwen met wantrouwen wordt beantwoord en dat met ieder voorschrift de claimcultuur verder wordt uitgelokt. Het Haagse micromanagement wordt nog versterkt door bovenschoolse bestuurders en ouders die zich willen laten gelden. Dat leidt enorm af van de basistaak: lesgeven, en het remt enthousiaste en creatieve professionals. Het maakt het sterk vergrijsde onderwijs een onaantrekkelijke werkgever en het schaadt de kwaliteit.
De auteur Klaas Broekhuizen is parlementair redacteur van Het Financieele Dagblad. Twitter: @KlaasBroekhuize