Kritiek op kopstukken Londense City wordt vooral beheerst door symboolpolitiek
Joost van Mierlo
De aanval op de bonuscultuur van de Londense financiële sector wordt dezer dagen vooral beheerst door symboolpolitiek. Zo moet Fred Goodwin, de voormalige bestuursvoorzitter van Royal Bank of Scotland (RBS), zijn ridderlijke status opgeven. Zijn opvolger Stephen Hester zag eerder af van een bonus van bijna £ 1 mln over het afgelopen jaar.
Het zijn beide uitingen van frustraties over het onvermogen van de Britse politiek om grip te krijgen op de manier waarop de financiële sector prestaties meet en beloont. Het is de frustratie dat de financiële sector nog altijd in staat is om de vruchten van zijn arbeid onder de eigen gelederen te verdelen. Terwijl de pijn als gevolg van de kredietcrisis en de kosten van de tientallen miljarden waarmee banken van de ondergang zijn gered over de hele maatschappij worden uitgesmeerd.
Het is niet zo dat de sector helemaal immuun is voor kritiek. De beloningsstructuur verandert, zij het langzaam. In het verleden werd de beloning van bankiers en handelaars vooral in de vorm van bonussen uitgekeerd. In de afgelopen jaren is het belang van de bonus verminderd door bankiers een hoger vast salaris aan te bieden. De bonus wordt tevens steeds vaker gefaseerd uitbetaald, met de mogelijkheid een deel van de bonus terug te eisen op het moment dat achteraf duidelijk wordt dat deze onterecht is vergeven.
Door nieuwe regelgeving krimpen zakenbanken ook. Ze moeten meer kapitaal aanhouden, er worden beperkingen opgelegd aan risicovolle activiteiten en het economisch klimaat is zodanig dat zakenbankiers en handelaren minder lucratief opereren dan voorheen. Veel van de handelsactiviteiten van banken worden overgeheveld naar specialistische fondsen. Daar wordt nog altijd veel geld verdiend, maar niet langer met het waarborg van de belastingbetaler als het misgaat.
Dat doet er niet aan af dat nog steeds jaarlijks miljarden worden uitgekeerd aan bankiers die daar recht op menen te hebben. In tegenstelling tot een onderwijzer of verpleegster hebben bankiers immers een prima inzicht wat hun activiteiten opleveren. Een afdeling die zich bezighoudt met valutahandel weet van dag tot dag hoeveel geld binnenstroomt. Een fusie- en overnameadviseur weet ook wat de bank aan vergoedingen binnenkrijgt.
De echte vraag die moet worden beantwoord is waarom er in de financiële sector zo veel geld wordt verdiend. Waarom is de handelsdesk van een bank in staat om dag in dag uit geld te verdienen? Waarom slepen banken tientallen miljoenen binnen bij een beursgang als die van Facebook? En waarom worden niet meer onderwijzers bankier, als het zo’n lucratief beroep is?
De werkelijkheid is dat het oligopolie van zakenbanken in stand wordt gehouden door een combinatie van clubcultuur en verregaande regelgeving. Om met het laatste te beginnen. De barrière om een handelsfirma, dan wel een bank, te beginnen is betrekkelijk hoog. Toezichthouders en banken stellen terecht hoge eisen aan nieuwkomers in de financiële sector. Als men dan toch is toegelaten tot de club volgt intern nog een zware strijd waarbij talent, energie en connecties (in welke volgorde ook) de doorslag geven.
Regelgeving verminderen is niet aan de orde en ook niet gewenst. Voorlopig worden de drempels alleen maar verhoogd. De clubcultuur openbreken gebeurt enigszins, door het verbieden of duurder maken van de handel voor eigen rekening. Maar het zorgt vooral voor de verhuizing van handelsafdelingen bij zakenbanken naar minstens zo exclusieve hedgefondsen.
Intussen slagen banken er niet in duidelijk te maken wat de maatschappelijke meerwaarde is van hun lucratieve arbeid. Natuurlijk heeft het werk van bankiers nut. In een complexer wordende globaliserende wereld, met handelsstromen van honderden miljarden per dag, vervult de financiële sector een wezenlijke rol. Pensioenfondsen en bedrijven snappen dat. Zij zijn degene die de dienstverlening zo hogelijk waarderen. Het is alleen lastig uit te leggen in hoeverre dat de prijs van een pakje boter verlaagt of hoeveel lager de hypotheekrente uitvalt als gevolg van het financiële gegoochel. De sector doet er in ieder geval geen poging toe.
En hoeft dat misschien ook niet te doen, omdat het agressief aanpakken van de sector wordt vermeden uit vrees dat banken hun biezen pakken om in een aantrekkelijker klimaat (New York, Dubai, Hongkong) ongestoord verder te werken.
Het aanpakken van Goodwin en Hester is symboolpolitiek. Waarom Goodwin zijn riddertitel moet opgeven en Tom McKillop niet, die als ‘chairman’ van RBS volledig faalde in zijn toezicht op de bank, is volledig arbitrair. En waarom Hester zijn bonus — op basis van een door de overheid goedgekeurd contract — moet inleveren, en een klein groepje bankiers bij RBS dadelijk £ 30 mln mag verdelen, is evenmin te verklaren.
Er zijn drie manieren waardoor de ophef echt verdwijnt. Eén: de hoge beloning verdwijnt. Twee: bankiers slagen erin de waarde van hun arbeid uit te leggen. Drie: de crisis komt ten einde en daarmee is er niet langer aanleiding voor commotie. Dat laatste zal nog jaren duren, maar is toch het meest waarschijnlijke scenario.
Joost van Mierlo is correspondent voor het FD in Londen.
Het is lastig uit te leggen hoe het werk van bankiers de prijs van een pakje boter verlaagt