Leo Stevens
Het imago van de overheid bepaalt mede de belastingmoraal. Een blik op de Zuid-Europese landen laat deze samenhang duidelijk zien. Om de belastingweerstand te minimaliseren, worden rijksbelastingen vaak ongemerkt ingehouden en afgedragen. Gemeentelijke belastingen zijn daarentegen erg confronterend en hebben door hun schraperig karakter een hoge irritatiegraad. Zo komen leges voor een afgewezen vergunning de geloofwaardigheid niet ten goede. En de huiseigenaar die ziet hoe de gemeente het OZB-tarief verhoogt, omdat de WOZ-waarde daalt, voelt zich genomen. Maar de gemeente zit knel tussen belasten of bezuinigen. Klachten over de onbetrouwbaarheid van de overheid zijn dan begrijpelijk, maar ongenuanceerd.
Het toenemende gebrek aan respectvolle omgangsvormen ontregelt trouwens onze samenleving. Constructieve maatschappelijke impulsen worden daardoor in de vangrail gedrukt. Onderling vertrouwen loopt schade op en de cohesie van de samenleving gaat verloren, want de overheid en haar belastingen behoren tot het ‘wij’-domein. Belasting is de prijs van gemeenschapszin. Ik ben het met Jan Terlouw eens, waar hij in zijn boek Hoed u voor mensen die alles weten zegt: ‘Een van de belangrijkste taken van de media is het vertrouwen van de burgers in hun overheid te versterken. Niet door te vertellen hoe betrouwbaar de overheid is, maar juist door kritisch en objectief te berichten over de daden van die overheid. Hoe kritischer en objectiever iemand wordt begeleid, des te betrouwbaarder hij wordt.’
Maar heroriëntatie op de positie van de overheid is geboden. Haar gezag is niet meer vanzelfsprekend en moet worden terugverdiend. De huidige pluriformiteit en individualisering stellen steeds grotere eisen aan de stuurmanskunst van beleidsmakers. Politiek draagvlak met vaste achterbannen en bekende voorkeuren worden verdrongen door de sociale media, die aan de opinievorming een rechtstreekser, vluchtiger en meer emotiegedreven karakter geven. Minder dan ooit is er ruimte voor bedachtzaamheid, laat staan een langetermijnvisie. Zeker nu de overheid de te hoog gespannen verwachtingen van de verzorgingsstaat moet terugdraaien, groeit de maatschappelijke onrust. Er moeten pijnlijke hervormingsprocessen worden doorgevoerd.
De financieel-economische crisis versterkt dit pijngevoel. De burger voelt zich bedrogen in zijn verwachtingen. Begrijpelijk, want te lang heeft de overheid zich gedragen als de betweterige producent van ons verzorgingspakket en de burger als ‘klant’ benaderd. Zij heeft haar hand overspeeld. We moeten terug naar de kerntaken van de overheid.
Het is zaak een solidaire participatiemaatschappij te ontwikkelen, waarin de burger weer zijn eigen afwegingen maakt en daarvoor zelf verantwoordelijk is. Dat pad is onontkoombaar, maar ook ongemakkelijk. Er moeten nieuwe optimale verbindingen worden gezocht tussen het individualisme van de markt en de collectiviteit van de overheid. In veel gevallen gaat dit gepaard met teleurstellingen of zelfs rancune. Er zijn slechts twee bittere smaken: bezuinigen of extra belasting betalen.
Ook fiscaal moeten we terug naar de basis. Onze belastingen moeten primair dienen om de uitgaven te dekken. De lasten zo eerlijk mogelijk verdelen, is al moeilijk genoeg. Maar intussen berijden politici allerlei stokpaardjes die het belastingstelsel ingewikkelder, maar bepaald niet rechtvaardiger maken en die bovendien maar matig effectief zijn.
Hoe ver de overheid kan doordraven, leert de diversiteit van ondernemersfaciliteiten en het gevarieerde assortiment aan heffingskortingen. Dit rondpompen van geld moet stoppen. De betrouwbaarheid van de overheid is gediend met voorspelbare en duurzame regelingen en het vertrouwen dat regimewijzigingen behoedzaam worden uitgevoerd. Desondanks worden er complexe maatregelen ingebouwd, zoals de bankenbelasting of de bonusbelasting, die slechts symboolwerking hebben.
Verder doen haastwerk, overdadige detaillering, te weinig oog voor uitvoerbaarheid en eenzijdige antimisbruikwetgeving afbreuk aan de kwaliteit van wetgeving. Het wordt steeds meer ‘wegwerpwetgeving’. Dat komt het gezag van de wet bepaald niet ten goede en schaadt het imago van de overheid. Wat we nodig hebben zijn niet méér, maar bétere regels.
Een andere ontwikkeling die de overheid imagoschade bezorgt, is de stelselmatige uitholling van de rechtsbescherming. Terwijl de middelen tot rechtshandhaving steeds ingrijpender en bedreigender worden, wordt de rechtsbescherming stelselmatig uitgehold. Rechtsbescherming wordt een dode letter als het kostendekkend griffierecht wordt ingevoerd.
De belastingbetaler die bij verschil van mening zijn zaak aan de rechter wil voorleggen, maar eerst een fors bedrag aan griffierechten moet betalen, is in feite weerloos. Het plaatst de overheid in een — te — dominante positie. Deugdelijke rechtsbescherming behoort in een rechtsstaat een collectief goed te zijn dat uit de algemene middelen wordt betaald.
Momenteel wordt de rol van de rechter onverantwoord gemarginaliseerd. De daaruit voortvloeiende frustratie, vooral van de bonafide belastingplichtige, is fnuikend voor het respect voor de overheid. Het gekwetste betrouwbaarheidsimago van de overheid vraagt daarom dringend om verbetering van de wetgevingskwaliteit en versterking van de rechtsbescherming.
Leo Stevens is em. hoogleraar fiscale economie van de Erasmus Universiteit Rotterdam.
Heroriëntatie op de positie van de overheid is geboden: haar gezag is niet meer vanzelfsprekend Heroriëntatie op de positie van de overheid is geboden: haar gezag is niet meer vanzelfsprekend