Ministers, rechters, politieagenten en bankiers verliezen in hoog tempo gezag. Hoe kunnen de instituties het verloren terrein terugwinnen?
Michiel Goudswaard
De onderstroom was al veel langer voelbaar, maar nu kan niemand er meer om heen. Het gezag van de instituten die moeten zorgen voor samenhang in Nederland, brokkelt in hoog tempo af. Nederlanders hebben nog maar bar weinig vertrouwen in het parlement, de overheid en de rechtspraak. Door de financiële crisis horen banken en verzekeraars inmiddels ook in dit rijtje thuis. Net als overigens de Nederlandsche Bank, de toezichthouder die door het grote publiek lang als saai, maar oerdegelijk werd gezien.
De reacties van de betrokkenen gezagsdragers lopen sterk uiteen. Er is oprechte verbazing over de erosie van de eigen positie, er is wijdverbreide narrigheid over zoveel wantrouwen, en er zijn tekenen dat sommigen de ernst van de situatie beginnen in te zien. 'Ons natuurlijk gezag, dat er ooit wellicht was, is voor een belangrijk deel verdwenen...Die mooie tijd is voorbij', zei Geert Corstens, president van de Hoge Raad, Nederlands hoogste rechtscollege, begin oktober in een toespraak voor vakgenoten. Ook president Nout Wellink van de Nederlandsche Bank maakt zich publiekelijk zorgen over het tanende gezag van zijn instituut.
Of het nu om rechters gaat of om centrale bankiers, om leraren of politieagenten, alle gezagsdragers moeten hun werk doen in een omgeving die in hoog tempo andere eisen stelt. Iedereen weet dat de tijd ver achter ons ligt waarin de arts, de dominee, en de notaris in het Nederlandse dorp hun goddelijke gang konden gaan. Maar niet iedereen had erop gerekend dat bijna iedere vorm van gezag zó fundamenteel ter discussie zou komen te staan.
De ernst van de situatie blijkt dagelijks uit de krant. Burgers die schelden op de politiek en ambtenarij, politici die publiekelijk rechterlijke uitspraken op de korrel nemen, spaarders die met verachting spreken over bonusbankiers, en boze beleggers die hun gal spuwen over het toezicht van DNB bij Icesave en DSB Bank. De lijst is moeiteloos uit te breiden.
De cijfers uit een recent rapport van Sijbren Cnossen, adviseur van het Centraal Planbureau, spreken boekdelen. Nog geen 30% van de Nederlanders heeft vertrouwen in het parlement, niet meer dan 27% heeft vertrouwen in de overheid, 45% heeft vertrouwen in de rechtspraak, 32% heeft nog vertrouwen in grote ondernemingen. Nederland is niet het enige land dat problemen heeft met het 'maatschappelijk vertrouwen', maar het scoort, zeker in vergelijking met de Scandinavische landen, laag.
'Veel mensen zijn gezag per definitie als tegenpool van de vrijheid gaan beschouwen', signaleerde de Britse socioloog Frank Furedi onlangs. Hij maakt zich daarover grote zorgen. Gezag wordt in zijn ogen veel te gemakkelijk geassocieerd met misbruik, waardoor gezag eerder wordt gedemoniseerd dan bevestigd. Terwijl een maatschappij niet zonder gezaghebbende instellingen kan die de kaders bieden waarbinnen de individuele burger zijn weg kan gaan. 'Als het gezag afkalft, dreigt het openbare leven te worden ondermijnd en maakt het plaats voor morele stuurloosheid', waarschuwt Furedi.
Om dat te voorkomen, moet er dringend wat gebeuren. Bij overheid en politiek, bij maatschappelijke instellingen en bij bedrijven. De zoektocht naar de oorzaken van het gezagsverlies komt nu op gang, maar gemakkelijk blijkt dat niet. Iedere institutie moet scherp zicht krijgen op het krachtenveld waarin zij opereert en op haar eigen rol daarbinnen. Dan blijkt al snel dat ook instituties niets menselijks vreemd is: eerlijke zelfreflectie is een enorme opgave. Maar zonder inzicht in de oorzaken van de gezagscrisis, is er geen uitzicht op verbetering.
De historicus James Kennedy, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, wijst erop dat de basis van de huidige gezagscrisis gelegd is in de jaren zestig, toen burgers het openlijk opnamen tegen wat hij 'de technocratische elite' noemt, de groep bestuurders en experts die veelal buiten het oog van het publiek het land kon regeren. Begin deze eeuw was het de opkomst van politicus Pim Fortuyn die als katalysator fungeerde en onderhuidse onvrede over het functioneren van de overheid onder de paarse kabinetten aan de oppervlakte bracht.
'Bij de overheid rukte vanaf de jaren tachtig het bedrijfsmatig denken op, alles moest efficiënter, veel overheidstaken werden overgedragen aan de marktsector. Maar daardoor fragmenteerde het beleid, het werd onduidelijk waar de verantwoordelijkheden lagen, terwijl de burger in die tijd steeds mondiger werd. Dat leidde tot spanningen die door de komst van Fortuyn aan de oppervlakte kwamen, er ontstond een soort wantrouwende impuls. Dat was een schok voor de gezagsdragers, omdat het vertrouwen historisch gezien altijd zo groot is geweest in Nederland', zegt Kennedy.
In haar werkkamer aan het Lange Voorhout in Den Haag wijst Saskia J. Stuiveling, president van de Algemene Rekenkamer, erop dat de gezagscrisis vooral is ontstaan doordat de samenleving veel sneller verandert dan de besluitvormingsmechanismen waarmee we de afgelopen 150 jaar hebben gewerkt. 'Overal waar het kraakt zie je dat er een mismatch is ontstaan tussen de vraagstukken die je wilt helpen oplossen en de tijd die het kost om dat op een adequate manier te doen. Als de instituties tekort schieten in het oplossen van de problemen die mensen zien, dan boeten die instituties aan gezag in', zegt zij.
Zij waarschuwt voor defensieve reflexen bij gezagsdragers. 'Als blijkt dat je gezag als institutie niet meer vanzelfsprekend is, dan heeft het geen enkele zin om de schuld bij anderen te leggen. Jíj bent degene die zich achter de oren moet krabben en op zoek moet naar nieuwe manieren om je gezag weer op te bouwen.'
Maarten den Ottolander, directeur van adviesbureau ValuePositioning Counsel en bestuursadviseur op het gebied van reputatiemanagement, wijst ook op de natuurlijke neiging van autoriteiten om zich naar binnen te keren, zeker als er in de buitenwereld opeens flinke kritiek de kop op steekt. 'Vooral de wat oudere generatie bestuurders verwacht vertrouwen, terwijl dat al lang niet meer vanzelfsprekend is. Vertrouwen moet worden verdiend. Een echte autoriteit moet daarom voortdurend in verbinding staan met de buitenwereld, zonder met alle winden mee te waaien. Je moet steeds weer vertellen waarom je er bent en wat je doet. Als er dan een keer incidenten zijn, kan je op dat eerder vertelde verhaal terugvallen en zo de schade aan je gezag beperken', zegt hij.
Wim van den Goorbergh, voormalig vice-voorzitter van de Rabobank, kiest een vergelijkbaar perspectief. 'In mijn ogen is de gezagscrisis vooral ontstaan doordat instituties als politieke partijen en banken veel te weinig opereren vanuit een vastomlijnd idee waartoe zij op aarde zijn', zegt de ex-bankier, die lid was van de Commissie-Maas die na de financiële crisis een rapport schreef waarin ervoor wordt gepleit om de klant weer centraal te stellen in de financiële sector. 'In de politiek zie je dat partijen niet langer aanhang zoeken voor een idee dat zij hebben. Zij laten hun standpunten afhangen van de wisselvallige opvattingen van de kiezers. Zij zijn daarmee een speelbal geworden en verliezen zo hun gezag. Voor banken geldt iets dergelijks. Zij waren winstmachines geworden die hun oren veel te veel lieten hangen naar financiële markten en bonusnajagende werknemers. De essentiële kerntaken van een bank - kredietverlening, betalingsverkeer, en het beheer van spaargeld - verdwenen zo naar de achtergrond. Als er dan iets misgaat en je hebt je kernbedrijf niet op orde, dan hoef je niet op veel sympathie en respect van je klanten te rekenen. Het is niet voor niets dat banken met een sterke identiteit als Rabo, Triodos en ASN relatief goed door de crisis zijn gekomen', zegt hij.
Terwijl een groot deel van de financiële sector nu worstelt met de vraag hoe zij de klant weer centraal zal stellen om langs die weg te proberen het verloren vertrouwen terug te winnen, wordt ook in de publieke sector naarstig gezocht naar nieuwe manieren om gezag terug te winnen. Voor Stuiveling van de Algemene Rekenkamer staat het als een paal boven water dat dit alleen kan als politiek, overheid en maatschappelijke instellingen er samen in slagen om veel sneller dan nu het geval is de problemen van burgers op te lossen.
'De grootste bedreiging voor het gezag van de instituties is het gebrek aan tempo. De problemen zullen zich echt niet aanpassen aan het tempo van onze besluitvorming. Nu leggen instituties in de media vaak uit hoe ingewikkeld het is om een bepaald probleem op te lossen, en wekken daarmee de indruk vooral met zichzelf bezig te zijn. De burger interesseert dat niets, die wil dat zíjn probleem wordt opgelost. Die herkent zich pas weer in de overheid als hij ziet dat die met de goede dingen bezig is.'
Zij vertelt met verbijstering over de niet van de grond komende aanpak van het probleem van de zwerfjongeren. In 2002 schreef de Rekenkamer daarover haar eerste rapport, zeven jaar later zijn alle betrokken instanties er nóg niet in geslaagd om het eens te worden over een werkbare definitie van het begrip zwerfjongere. 'Zeven jaar! En we weten nu nog steeds niet hoeveel er zijn, waar ze zitten, uit welke bevolkingsgroepen ze komen. Het aantal zwerfjongeren stijgt vermoedelijk, er is een serieus probleem, lokaal zijn er wel diverse initiatieven, maar de betrokken instanties maken het oplossen van het probleem ondergeschikt aan hun onderlinge besluitvormingsprocessen en belangenstrijd. Dan is het niet zo gek dat je je gezag verliest.'
Tegen deze achtergrond duidt zij ook de opkomst van politici als Fortuyn en Wilders. 'Zij zijn aan de kant van de mensen gaan staan, ze verwoorden wat de mensen vinden. Kennelijk is daar een enorme behoefte aan', zegt Stuiveling. De bestuurlijke impasse kan in haar ogen doorbroken worden, maar daarvoor is een ingrijpende heroriëntatie nodig bij alle betrokkenen. 'We hebben niet één leider nodig om de problemen sneller aan te pakken, maar een collectief, gegroepeerd leiderschap rondom concrete vraagstukken die door de politiek of door de samenleving worden benoemd'.
'Ik heb het gevoel dat het polderen ons nu erg in de weg zit bij het maken van keuzes. De afgelopen veertig jaar zetten we in de polder na veel overleg steeds weer een stapje vooruit en dat gaf iedereen het gevoel dat er aan een oplossing werd gewerkt. Dat is nu anders, de polder kan het noodzakelijke tempo nu niet genereren. Dat kan alleen veranderen als ook in de polder de focus veel meer gericht wordt op het oplossen van concrete problemen, en partijen zich wat losser van elkaar gaan bewegen', meent zij.
En de burger zelf? Kan een minder veeleisende opstelling ook niet bijdragen aan het verminderen van de gezagscrisis? 'De burger heeft zich ontwikkeld tot een vrij individu dat overal zijn oordeel over mag geven. Dat is een verworvenheid, maar burgers mogen zich ook best wat meer bezinnen op hun eigen optreden in het publieke domein. Het kritisch volgen van de overheid is meer dan zeggen wat je denkt, een constructieve bijdrage is ook welkom. Maar dat is een lange weg, we moeten rekening houden met een chronische vervreemding tussen de burger en de overheid', zegt historicus Kennedy.
Stuiveling is huiverig om de burger veeleisend te noemen. 'Ik zie vaak dat dit argument wordt gebruikt door organisaties die hun taak niet goed uitvoeren, organisaties die niet in staat zijn om aan hun verplichtingen jegens de burger te voldoen. We moeten oppassen dat we niet denken dat Nederland alleen uit goed opgeleide, mondige burgers bestaat. Arme mensen zijn geen rijke mensen zonder geld. Er is een groep mensen in Nederland die zich niet zelf kan redden. Zij kunnen niet zonder hulp inburgeren, of de weg naar de arbeidsmarkt vinden. Daar zitten de problemen, die wij met zijn allen moeten oplossen', zegt Stuiveling.
Zij heeft haar hoop gevestigd op de financiële heroverweging waaraan het kabinet onder druk van het door de crisis sterk gestegen overheidstekort werkt. 'Er is een duidelijke focus en een gevoel voor urgentie nodig rond een beperkt aantal dossiers. Het onderwijs, de innovatiekracht van de economie, budgettaire duurzaamheid en het alles overkoepelend klimaatvraagstuk, dat zijn voor mij de centrale thema's. Ik hoop dat op de golf van de heroverwegingen de enorme bubbel uit het beleid wordt gehaald, en er tenminste rond die vier thema's effectief kan worden samengewerkt. Als het kabinet dan ook nog de verwachtingen gaat managen rond de vraag wat de overheid wel en niet kan doen voor de burgers, kan dat een zegenrijk effect hebben, ook op het gezag van de instituties.'
te gemakkelijk geassocieerd
met misbruik
Illustratie: Theo Barten