Scherp aan de wind zeilen wil Jan Sijbrand, de nieuwe directeur toezicht bij de Nederlandsche Bank (DNB). Om daar inhoud aan te geven waarschuwt hij de vastgoedsector. Daar heerst een structureel overaanbod, dat niet alleen deze bedrijfstak bedreigt, maar kan uitgroeien tot een derde financiële crisis, na de kredietcrisis en de Europese schuldencrisis.
Het zijn zware woorden, vergelijkbaar met de waarschuwing die DNB-president Klaas Knot een paar maanden eerder uitte toen hij wees op de doorwerking die de hoge hypotheekschulden hebben op de balansposities van Nederlandse banken. Het zijn ook woorden en waarschuwingen die onderstrepen dat DNB zijn taak als toezichthouder serieus wil nemen.
Die assertieve, bijna agressieve toonzetting is begrijpelijk. Ten eerste leeft bij de toezichthouder de zorg dat ook de vastgoedsector, naast de hypotheekschuldenberg, een potentieel gezwel in het financiële weefsel vormt. Terecht dat de toezichthouder daar de vinger op legt, mede om de lankmoedigheid te bestrijden die hier en daar nog leeft binnen de sector.
DNB heeft een andere reden om de publieke arena te zoeken. De les uit de financiële crisis is dat het toezicht in het verleden heeft gefaald. Die constatering weegt zwaar bij het werk van de commissie-De Wit, dat kan uitmonden in een baaierd aan nieuwe regelgeving en daarbij horend verzwaard toezicht.
De nieuwe directheid bij DNB is wennen voor de buitenwacht en leidt tot commotie. De toezichthouder oefent terecht druk uit op de banken en de vastgoedsector om orde op zaken te stellen. Voor DNB is het echter zaak te letten op zijn toonzetting. Het komt aan op een goede maatvoering tussen publiekelijk waarschuwen en binnenskamers bijsturen. DNB moet rekening houden met het beroemde theorema van de socioloog Thomas: ‘Als mensen omstandigheden als reëel definiëren, zijn ze reëel in hun gevolgen.’