Een 35-jarige werknemer, belast met de controle op afgeleverde goederen, wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 13 jaar wegens in de privésfeer gepleegde doodslag en opzettelijke brandstichting. Vanaf zijn detentie is hij logischerwijs niet meer op zijn werk verschenen, waarop werkgever ontbinding van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd vraagt. Volgens de werkgever is er sprake van een dringende reden, dan wel van verandering in de omstandigheden, die een ontbinding van de arbeidsovereenkomst op een zo kort mogelijke termijn zou(den) rechtvaardigen.
De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst, nagenoeg per direct. Een gevangenisstraf van 13 jaar is op zich niet voldoende om aangemerkt te worden als een dringende reden. Alle omstandigheden van het geval moeten worden meegewogen. De kantonrechter vervolgt dat van werkgever niet kan worden verwacht dat hij het verzuim van werknemer gedurende minimaal 8,5 jaar (bij vervroegde invrijheidsstelling) opvangt. Of diens functie gedurende die tijd ongewijzigd in stand laat. Tevens zal werknemer na zo’n lange tijd achter de tralies volledig vervreemd zijn van zijn werk en het bedrijf. Dat klemt te meer omdat de bedrijfsorganisatie constant aan veranderingen onderhevig is. Het creëren van een passende functie na invrijheidsstelling van werknemer kan dan ook niet verlangd worden. Daar komt bij dat het verzuim van werknemer aan hemzelf te wijten is.
Er is echter volgens de kantonrechter geen sprake van spoedeisendheid tot het ontbinden van de arbeidsovereenkomst, waardoor het geheel van alle omstandigheden niet als dringende reden valt aan te merken. Wel oordeelt de kantonrechter dat het niet van werkgever gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst in stand te houden. Er wordt daarom ontbonden wegens verandering in de omstandigheden, zonder toekenning van een vergoeding.
Opgetekend door Ton Olde Monnikhof