Deze liefde was al niet groot. De omzetting van de gulden naar de euro ging gepaard met een hoge gevoelsinflatie. Onze Duitse buren duiden de euro al jaren aan met ‘teuro’. Dit terwijl de euro ons tot dusver eigenlijk voornamelijk lusten heeft opgeleverd.
In deze column betoog ik dat de euro van ons allen is. Het is onze eigen munt “for better or worse”. Hiervoor zijn verschillende argumenten. Allereerst financieel. Zoals bij iedere munt, zijn er monetaire opbrengsten van de euro. Deze opbrengsten gaan niet naar Brussel, maar komen via een vaste verdeelsleutel bij de deelnemende nationale centrale banken terecht, die het vervolgens via een dividend uitkering aan hun nationale schatkist doorgeven. Jarenlang zijn de opbrengsten naar alle burgers van het eurogebied gestroomd. Eventuele verliezen volgen de zelfde route. Deze verliezen zijn niet ondenkbaar met de aankoop van Zuid-Europese obligaties en de omvangrijke leningen aan Europese banken.
Het tweede argument is juridisch. Het Europese Stelsel van Centrale Banken is een mix van een supranationale instelling, de ECB, en nationale instellingen, de nationale centrale banken. De nationale centrale banken zijn ‘aandeelhouder’ van de ECB. Vandaar ook de eerder genoemde financiële stromen tussen de ECB en de nationale centrale banken. Meer in den brede, reflecteert de euro de constructie van de Europese Unie. Bij de stemming over de Europese grondwet in 2005 hebben de Nederlandse en Franse kiezers een federale staat afgewezen. Het nieuwe Lissabon verdrag introduceert een Unie van landen en burgers. De kern van deze Unie is dat het gaat om het samenspel tussen de instellingen van de Unie, zoals de ECB, en de nationale instellingen, zoals de nationale centrale banken. Net als in het echte (gezins)leven gaat dit samenspel de ene keer harmonieuzer dan de andere keer.
Soeverein
Het derde argument is politiek. Achter iedere krachtige munt staat een soeverein. De ‘deep pockets’ van de overheid zijn gebaseerd op de macht om belasting te heffen. Binnen de Europese Unie ligt deze bevoegdheid grotendeels bij de nationale lidstaten, met een zeer beperkte grondslag voor de Unie zelf. De solidariteit tussen de lidstaten wordt nu getest. Binnen het nieuwe Lissabon verdrag zijn de lidstaten en de unie aan het ontdekken hoe ze samen de soeverein achter de euro kunnen vormen. Die zoektocht komt tot uitdrukking in de onderhandelingen over het Europese Financiële Stabiliteits Fonds (EFSF) en het Europese Stabiliteits Mechanisme (ESM).
Tot slot kom ik bij het Griekse begrip oikos, dat voor huishouden staat. Arjo Klamer bijvoorbeeld betoogt dat de oikos een economische eenheid is, waarbinnen de transacties op een sociale leest zijn geschoeid. Het verband van de eurolanden met de ECB aan het hoofd vormt wel een heel groot gezin. Sommige economen zoals Klamer zullen zeggen dat de samenhang in zo’n gezin met uiteenlopende culturen niet stabiel is. Dit gezin deelt nu één munt, de euro. De onderlinge solidariteit wordt nu getest, waarbij politici worstelen met de keuze tussen hun nationale achterban en het bredere Europese belang. Door de euro te beschouwen als van ons allen, kunnen we op een nieuwe manier naar de uitdaging kijken. De Nederlandse burgers hebben samen met de andere burgers uit het eurogebied tien jaar de lusten van Europese samenwerking met de munt en breder de interne markt gedeeld. Zijn we nu ook bereid in moeilijke tijden de lasten te delen?
Dirk Schoenmaker is decaan van de Duisenberg school of finance
Dirk Schoenmaker is decaan van de Duisenberg school of finance. Daarnaast is hij hoogleraar Finance, Banking & Insurance aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Voor zijn aanstelling aan de Duisenberg school was Schoenmaker werkzaam bij het Ministerie van Financiën.
De gevolgen voor het Duitse bbp schijnen 250 miljard p/a te zijn.