In de eerste plaats is dat het gegeven dat deze landen goed georganiseerd zijn. Er is sprake van een goed rechtssysteem, een betrouwbare overheid en een stabiele financiële markt.
In de tweede plaats is er de flexibele arbeidsmarkt. De Nederlandse samenleving liet geschoolde buitenlandse arbeidskrachten soepel toe. Daardoor kon de scheepssector makkelijk aan bemanningen en scheepsbouwers komen.
Een derde belangrijke factor is dat er in de noordelijke economieën een hoge bereidheid tot sparen was. Sparen was aantrekkelijk omdat men op de kapitaalmarkt een goed rendement kon krijgen en er een grote zekerheid bestond dat men zijn inleg weer terug zou krijgen. Daarnaast was de inflatie laag. Al deze factoren verklaren het succes van de Noord-Europese economische regio. De economieën zijn stabiel, de overheid voert een consistent beleid en er is veel onderling vertrouwen.
In het internationale economische verkeer leidt deze combinatie van factoren tot een op het eerste gezicht paradoxale situatie. Door de hoge besparingen hadden de noordelijke landen als regel ook een sterke munt. Vooral de Duitse mark — en in zijn kielzog de gulden — waren decennialang een toonbeeld van kracht. Ten opzichte van de munten van de belangrijke handelspartners stegen zij voortdurend in waarde. Toch bleef het Noorden concurrerend omdat de loonkosten goed onder controle bleven. Beheerste loonkostenstijgingen en een hoge arbeidsproductiviteit zorgden dat de concurrentiekracht op peil bleef.
In het zuidelijke deel van Europa had men een geheel andere beleidsmix. Het monetaire beleid was veel toleranter, waardoor de inflatie hoog was. De openbare kapitaalmarkt functioneerde er veel minder goed. Als mensen al spaarden, dan stopten ze het geld in hun eigen huis. De concurrentiekracht werd niet via de beheersing van de loonkosten maar door depreciatie van de wisselkoers in stand gehouden.
Deze grote verschillen in monetair en financieel beleid zouden moeten leiden tot grote welvaartsverschillen, maar die werden niet altijd manifest. Ook voor de invoering van de euro bestond er een mechanisme om de verschillen weg te masseren. Zuid Europa was altijd al nettokapitaalimporteur. Dat dwong de zuidelijke landen te lenen bij de noordelijke landen. Dat deden ze in de praktijk te goedkoop, omdat in de rentevergoeding de dalende wisselkoers en de hogere inflatie niet volledig werd verdisconteerd. Daarnaast konden ze door dalende wisselkoersen een tijdelijk concurrentievoordeel behalen.
Na de invoering van de euro werkten deze vormen van welvaartstransfer niet meer. Het Noorden wijst nu met de beschuldigende vinger naar Club Med maar gaat onverdroten door met de oude beleidsmix. Duitsland en Nederland volharden in het matigen van de loonkosten en het creëren van spaaroverschotten.
Natuurlijk kun je de zuidelijke landen verwijten dat ook zij zich niet hebben aangepast, maar om een onevenwichtige situatie te laten ontstaan zijn er twee partijen nodig. Door de invoering van de euro is het ventiel van aanpassing van de wisselkoers dichtgedraaid, waardoor er geen correctiemechanisme meer is. Daardoor ontstaat er een levensgevaarlijke situatie. De noordelijke overschotten blijven vanwege de oplopende besparingen stijgen, terwijl het spiegelbeeld — het tekort van het Zuiden — stijgt. De transfer van welvaart vindt nu plaats via de Europese Centrale Bank, die via allerlei kunstgrepen het Zuiden financiert en daarvoor bij het Noorden leent.
Noord-Europa heeft zijn spaarzaamheid en concurrentiekracht altijd als deugd gezien en stelt zich nu superieur op. Alle landen binnen de eurozone hebben ingestemd met het afschaffen van een impliciet transfermechanisme. Nu dat niet meer bestaat, is het net zo goed onze verantwoordelijkheid om met een nieuwe oplossing te komen.
Reacties
Om te kunnen reageren op artikelen dient u ingelogd te zijn.
Nog geen abonnee? Registreer gratis of bekijk onze abonnementen.