Daarom was ik ook zo verbaasd toen ik afgelopen week de beelden zag van het requisitoir dat de officier van justitie hield in de vastgoedfraudezaak. Daarin borrelde niet alleen heilige verontwaardiging naar boven over zoveel boevenstreken, maar werden rechtbank en publiek ook getrakteerd op een dosis ongezouten maatschappijkritiek.
We leven in een tijd van 'ongebreideld individualisme', waarin 'corrosie dreigt van het dunne laagje beschaving dat nog over ons land ligt', waarin de integriteit van 'het Nederlandse bedrijfsleven' op het spel staat. En waarin volgens het Openbaar Ministerie in de financiële sector 'het grenzeloze graaien alweer een aanvang heeft genomen'.
Neutrale woordkeus
Dat zijn opvattingen en beweringen waarover een mooie discussie te voeren is, maar dergelijke generalisaties lijken mij in een requisitoir niet op hun plaats.
Het Openbaar Ministerie heeft in onze maatschappij de rol om met het wetboek in de hand wetsovertreders voor de rechter te brengen. Vasthoudend, met grote inzet, en zonder aanzien des persoons. Daarbij hoort in mijn ogen ook een bij het ambt passende, neutrale woordkeus.
Verdachte gewoon verdachte noemen
De verdachten worden regelmatig aangeduid als 'deze heren', of zelfs als 'hoge heren'. Ja, er staan vooraanstaande figuren uit de vastgoedwereld in de beklaagdenbank, en het is gezien het gepresenteerde bewijsmateriaal zeer terecht dat het OM veel energie in deze zaak heeft gestoken. Maar de indruk ontstaat nu dat deze officier zelf niet veel opheeft met mensen die zekere posities bekleden of anderszins tot de elite gerekend worden. Wat is er eigenlijk mis mee om een verdachte gewoon een verdachte te noemen?
Deze oprisping van het OM staat niet op zichzelf. Zij is onderdeel van een bredere ontwikkeling waarin het onderscheid tussen de ambtsdrager en de persoon die het ambt uitoefent vervaagt.
Onderscheid tussen ambt en persoon
Die ontwikkeling is al veel langer aan de gang. Theo Quené toonde zich in 1996 bij zijn afscheid als voorzitter van de Sociaal-Economische Raad al bezorgd dat het onderscheid tussen het ambt en de persoon 'niet meer wordt beleefd'. Het besef dat 'mensen komen en gaan, maar het ambt blijft bestaan' noemde hij van groot belang voor de 'cohesie van de samenleving'.
Juist in tijden waarin de emoties dicht onder de oppervlakte liggen en er blijkbaar veel is dat 'maar eens gezegd moet worden', is het van belang dat mensen op sleutelposities hun eigen rol als ambtsdrager goed in de gaten houden. Het aanzien van de institutie waarvan zij deel uitmaken is al snel in het geding. Terwijl velen zeker in onzekere tijden juist bij die instituties houvast zoeken.
Eigentijdse en klassieke inhoud
De officier van justitie valt uit zijn rol als hij een requisitoir doorspekt met 'persoonlijke' observaties over de toestand in de wereld. Net zoals het lid van de Tweede Kamer uit zijn rol valt als hij in het parlement 'doe eens normaal man' roept tegen de minister-president. En deze laatste vervolgens gelijksoortige café-bewoordingen kiest.
Voor het veelbesproken 'aanzien van de politiek', zou het goed zijn om het reglement van orde van de Kamer een eigentijdse, en tegelijkertijd misschien wel klassieke inhoud te geven. Onder leiding van een krachtige en onverbiddelijke parlementsvoorzitter.
Ook de minister van financiën en de president van de Nederlandsche Bank hebben als ambtsdragers een delicate rol te spelen in deze stormachtige tijden voor Europa. Waar ligt hun loyaliteit? Bij hun persoonlijke opvattingen over de Griekse kansen om er bovenop te komen, of bij de verantwoordelijkheid die bij hun ambt hoort en die kan nopen tot grote terughoudendheid bij het doen van publieke uitspraken?
Het gaat tegen de tijdgeest in, maar niet alles hoeft gezegd te worden, en zeker niet door onze ambtsdragers.
Michiel Goudswaard is redacteur van Het Financieele Dagblad. Goudswaard@fd.nl
Reacties
Om te kunnen reageren op artikelen dient u ingelogd te zijn.
Nog geen abonnee? Registreer gratis of bekijk onze abonnementen.